

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Kast in de groene pannenkoek Jan is in de keuken.
Jan houdt van pannenkoeken.
Pannenkoeken zijn lekker.
Vandaag maakt Jan een bijzondere pannenkoek.
De pannenkoek is groen.
Groen.
Zo'n krass.
Zo'n kikker.
Jan lacht.
Jan heeft melk.
Jan heeft eieren.
Jan heeft ook spinatie.
Spinatie is groen.
Heel groen.
Jan doet de spinatie in de blender.
Jan doet de melk in de blender.
De blender maakt veel lawai.
De blender stopt.
Het mengsel is groen.
Heel erg groen.
Jan kijk naar het groene mengsel.
Zegt Jan.
Jan denkt evenna.
Dan gaat Jan verder.
Jan pak de pan.
De pan is groot.
Jan zet de pan op het vuur.
Het vuur is laag.
Niet te warm.
Jan doet het groene mengsel in de pan.
De pannenkoek wordt groen in de pan.
Heel groen.
Jan kijk naar de pannenkoek.
De pannenkoek ziet er raar uit.
Jan gaat verder.
De buurvrouw komt binnen.
Zij heet Maria.
Maria ziet de pan.
Maria ziet de groene pannenkoek.
Maria kijk naar Jan.
Jan lacht.
Maria lacht niet.
Jan zegt Maria.
Wat is dat?
Een pannenkoek.
Zegt Jan.
Een groene pannenkoek zegt Maria.
Ja, zegt Jan.
Met spinatie.
Maria kijkert weer naar de pan.
De pannenkoek is nu ook een beetje zwart.
Groen en zwart.
Jan houdt de pannenkoek uit de pan.
Jan lacht de pannenkoek op het bord.
Het bord is groot.
De pannenkoek is ook groot.
De pannenkoek is groen en zwart en een beetje bruin.
Jan eet de pannenkoek.
Maria kijkt.
Jan koud langzaam.
Jan denkt naar.
Lekker?
Vraagt Maria.
Jan zwijgt even.
Dan zegt Jan.
Het is anders.
Maria proeft ook een klein stukje.
Maria koud.
Maria denkt.
Het is vennen.
Zegt Maria.
Ja, zegt Jan.
Het is vennen.
Zij kijken allebei naar het bord.
Het bord is bijna leeg.
De groene pannenkoek is bijna op.
Jan glim lacht.
Volgende week maak ik een oranje pannenkoek.
Maria pakt haar jas.
Maria gaat naar huis.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze