

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Alan zit aan zijn bureau.
Het bureau is groot en bruin.
Het is een mooi, oud bureau.
Alan heeft veel papier.
Het papier ligt overal op het bureau.
Het papier is wit en dun.
Alan kijkt naar het papier.
Hij denkt na.
Alan denkt veel na.
Hij hoort de klok tikken.
Tik, tak.
Tik, tak.
De klok is oud.
Alan kijkt naar de klok.
Het is tien uur.
Alan werkt hard.
Alan werkt bij een grote bank.
De bank is in New York.
New York is een grote stad.
De stad is luid.
Alan hoort auto's en mensen.
Alan is de baas.
Hij is een belangrijke man.
Veel mensen kennen Alan.
Ze zeggen hallo op straat.
Alan glimlacht dan.
Alan heeft een idee.
Het idee is simpel.
Alan zegt: de markt doet alles.
De markt is goed.
De markt helpt iedereen.
Alan gelooft dit heel erg.
Hij zegt het elke dag.
Hij zegt het tegen Lisa.
Hij zegt het tegen andere collega's.
De markt is als een vriend, denkt Alan.
Zijn collega Lisa komt binnen.
Lisa heeft een kopje thee.
De thee is warm.
De thee ruikt lekker.
Lisa zet de thee op het bureau.
Het kopje is wit.
Ze kijkt naar Alan.
Ze zegt: Alan, gaat het goed?
Alan kijkt op.
Hij zegt: ja, heel goed.
De markt gaat goed.
Lisa knikt.
Ze drinkt haar thee.
De thee is heet.
Lisa blaast op de thee.
Alan leest een boek.
Het boek is dik.
Het boek is rood.
Het boek gaat over geld.
Alan leest elke dag.
Hij vindt geld heel interessant.
Nee, hij vindt geld heel mooi.
Alan glimlacht.
Hij is blij.
Hij denkt aan al het geld.
Het geld is als een droom.
Maar dan komt er een dag.
Het is een slechte dag.
De zon schijnt niet.
De lucht is grijs.
Veel mensen hebben geen geld meer.
De bank heeft ook geen geld.
Alan zit aan zijn bureau.
Hij kijkt naar het papier.
Het papier zegt: er is geen geld.
Alan schudt zijn hoofd.
Nee, hij beweegt zijn hoofd.
Hij begrijpt het niet.
Nee, hij snapt het niet.
Het is stil in de kamer.
Alleen de klok tikt.
Lisa komt weer binnen.
Ze heeft geen thee.
Ze ziet er moe uit.
Ze zegt: Alan, er is iets mis.
Alan kijkt haar aan.
Hij zegt: hoe kan dit?
De markt is toch goed?
Lisa zegt: nee Alan.
De markt is nu niet goed.
Alan zucht.
Hij is niet blij.
Zijn handen trillen een beetje.
Alan staat op.
Hij loopt naar het raam.
Het raam is groot.
Het raam is schoon.
Hij ziet de stad.
De stad is grijs vandaag.
De gebouwen zijn hoog.
Veel mensen lopen op straat.
Ze zien er niet blij uit.
Ze lopen snel.
Alan denkt: dit is mijn schuld.
Nee, dit komt door mijn idee.
Alan voelt zich slecht.
Hij voelt zich verdrietig.
Lisa zegt: Alan, jij doet je best.
Alan knikt.
Hij gaat weer zitten.
Het bureau voelt hard.
Hij pakt een nieuw boek.
Het boek is dun.
Het boek is blauw.
Het boek gaat over mensen.
Niet over geld.
Alan leest het boek.
Hij leest langzaam.
Hij denkt na.
Hij leest over een man.
De man is vriendelijk.
De man helpt andere mensen.
Alan vindt het mooi.
Alan zegt zacht: ik snap het nu.
Mensen zijn belangrijk.
Niet alleen geld.
Lisa glimlacht.
Ze zegt: goed zo Alan.
Alan glimlacht ook.
Hij drinkt zijn thee.
De thee is koud.
Maar dat geeft niet.
Alan is nu een beetje blij.
Hij denkt: ik kan leren.
Ik kan beter worden.
Hij pakt zijn jas.
De jas is blauw.
De jas is warm.
Hij gaat naar huis.
Thuis eet hij brood.
Het brood is lekker.
Het brood is vers.
Hij denkt aan morgen.
Morgen is een nieuwe dag.
Morgen begint opnieuw.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze