

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
De viswinkel.
Jan gaat naar de winkel.
De winkel is in de straat.
Het is een viswinkel.
Jan houdt van vis.
Vis is lekker.
Jan ziet de vis.
De vis is mooi.
De vis is groot.
Jan is blij.
Hij wil viskopen.
Jan vraagt wat kost de vis?
De man in de winkel zegt.
90 euro.
Jan kijkt naar de vis.
Hij kijkt naar de man.
Hij kijkt weer naar de vis.
90 euro is veel geld.
Veel geld.
Jan denkt.
Hij heeft geld.
Hij houdt van goede vis.
Goede vis kost veel geld.
Jan zegt, oké, ik hoop de vis.
De man geeft Jan de vis.
De man zegt, wil tuw ook sours?
Jan zegt, ja, graag.
De man zegt, de sours kost 75 cent.
Jan kijkt naar de man.
75 cent.
Jan betaalt 90 euro voor vis.
En de man vraagt 75 cent voor sours?
Dat is gek.
Jan lacht.
Hij zegt, nee, geen sours.
De man kijkt naar Jan.
Jan kijkt naar de man.
Het is een grappige situatie.
Jan loopt naar huis.
Hij heeft de vis.
De vis is zwaar.
Jan is moe.
Maar hij is blij.
Tuis zit Jan aan de tafel.
Hij eet de vis.
De vis is heel lekker.
Heel, heel lekker.
Jan denkt, goede vis is duur.
Maar goede vis is lekker.
Jan kijkt naar zijn portemonnee.
De portemonnee is leeg.
Geen geld meer.
Jan lacht.
Hij zegt, volgende keer win ik de looter rij.
Dan kope ik veel vis.
En veel sours.
De vis is op.
Jan is blij.
Maar de portemonnee is leeg.
Dat is het leven.
Goede dingen kost de geld.
Maar goede dingen zijn lekker.
Jan wast zijn handen.
Hij gaat naar de bank.
De bank is in de straat.
Jan heeft nieuw geld nodig.
Veel geld.
Voor de volgende vis.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze