

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben Tim.
Ik woon in een stad.
De stad is groot.
Er zijn veel huizen en winkels.
Ik loop naar mijn werk.
Ik zie veel auto's.
De auto's rijden snel.
Ze maken een hard geluid.
Dan zie ik een man.
De man staat bij de weg.
Hij heeft een bord.
Het bord is rood.
Op het bord staat een teken.
De man zwaait met zijn hand.
De auto's stoppen.
De man kijkt naar de auto's.
Ik kijk naar de man.
De man is niet blij.
Hij kijkt naar de grond.
Zijn schoenen zijn zwart.
Ik loop verder.
Ik zie een vrouw.
De vrouw zit op een bank.
De bank is van hout.
Zij leest een boek.
Het boek is groen.
De vrouw kijkt op.
Ik zeg: 'Hallo.' Zij zegt: 'Hallo.' Haar stem is zacht.
Ik loop naar de winkel.
De winkel is klein.
Er hangt een lamp.
De lamp is geel.
Ik koop een appel.
De appel is rood.
De appel ruikt lekker.
Ik eet de appel.
Het is lekker.
De appel is zoet.
Ik loop naar het park.
Het park is mooi.
Er zijn bomen en bloemen.
De bloemen zijn rood en geel.
Ik zie een hond.
De hond is wit.
De hond speelt met een bal.
De bal is blauw.
De hond rent.
Het is leuk.
Dan hoor ik een geluid.
Het geluid is hard.
Het is een auto.
Ik kijk om.
Ik zie een auto.
De auto stopt snel.
De man uit de auto loopt weg.
Hij heeft een tas.
De tas is zwart.
De man loopt snel.
Hij kijkt niet naar mij.
Ik kijk naar de man.
Hij loopt naar een huis.
Het huis is groot.
De deur is bruin.
De man gaat naar binnen.
De deur gaat dicht.
Ik loop naar mijn werk.
Mijn werk is in een kantoor.
Het kantoor is wit.
Er zijn veel bureaus.
Ik werk met een computer.
De computer is nieuw.
Het scherm is licht.
Ik typ een brief.
De brief is lang.
Ik drink koffie.
De koffie is warm.
De koffie ruikt goed.
Het is goed.
Dan komt een collega.
De collega heet Sara.
Sara heeft een blauwe jas.
Sara zegt: 'Hallo Tim.' Ik zeg: 'Hallo Sara.' Sara zegt: 'De auto's stoppen vandaag.' Ik zeg: 'Ja, ik zie het.' Sara zegt: 'Het is raar.' Ik zeg: 'Ja, het is raar.
De man met het bord was niet blij.' Sara kijkt naar mij.
Wij drinken koffie.
De koffie is lekker.
Dan ga ik naar huis.
Ik loop door de straat.
De straat is stil.
De straat is donker.
Ik zie geen auto's.
Het is vreemd.
Ik loop naar mijn huis.
Mijn huis is klein.
De deur is wit.
Ik open de deur.
Ik ga naar binnen.
Het is stil in huis.
Ik eet een boterham.
De boterham is met kaas.
De kaas is geel.
Het is lekker.
Ik kijk naar de televisie.
De televisie is aan.
Ik zie een man.
De man praat over auto's.
Hij zegt: 'De auto's stoppen.' Ik denk: 'Het is een rare dag.
Eerst de man met het bord, dan de man met de tas, en nu de televisie.' Ik ga naar bed.
Het bed is zacht.
Het kussen is wit.
Ik slaap goed.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze