

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Naan, de groene pannenkoek Lars staat in de keuken, hij heeft melk, hij heeft iron, hij heeft een pan, Lars maakt pannenkoeken, maar deze pannenkoeken zijn anders.
Lars heeft spinatie, spinatie is groen, heel erg groen, hij doet de spinatie in de blender.
Hij doet de melk erbij, de blender maakt veel lawai, het is groen, heel erg groen, Lars kijkt naar de groene melk.
Zegt Lars, hij pakte iron, hij doet de iron erbij, hij roert alles door elkaar, het is nog steeds groen.
Lars heeft een pan, de pan is warm, hij doet het groene beslag in de pan, de pannenkoek is groen, heel erg groen.
Lars kijkt naar de pannenkoek, de pannenkoek kijkt terug, misschien niet, maar hij is wel heel groen, de pannenkoek is klaar.
Lars lecht hem op een bord, het bord is wit, de pannenkoek is groen, dat is een groot verschil.
Lars ruikt aan de pannenkoek, hij ruikt lekker, beetje anders, maar lekker.
Lars neemt een hub, hij koud langzaam, hij denkt na, het is anders, zegt Lars, hij neemt nog een hub, dan nog een hub.
Zijn vriend Joost komt binnen, Joost ziet de groene pannenkoek, Joost stopt.
Wat is dat, vraagt Joost, een pannenkoek, zegt Lars, hij is groen, zegt Joost.
Ja, zegt Lars, waarom vraagt Joost? Spinazie zegt Lars.
Joost kijkt naar de pannenkoek, de pannenkoek is heel groen, Joost kijkt naar Lars, Lars eet de groene pannenkoek.
Is het lekker, vraagt Joost, Lars denkt na, het vent zegt Lars.
Joost pakt ook een vork, hij neemt een kleine hub, hij koud, hij denkt na, het vent zegt Joost ook.
Ze eten samen de groene pannenkoeken, de pannenkoeken zijn groen, maar ze zijn ook warm en lekker, misschien.
In Nederland eten gewoon groene pannenkoeken, dat is normaal, nou ja, bijna normaal.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze