

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Mijn naam is Rick.
Ik woon in een klein dorp.
Het is rustig en groen.
De lucht ruikt naar gras en bloemen.
Ik hoor de vogels zingen.
Mijn buurman heet Kees.
Hij is altijd bezig met de tuin.
Vandaag ziet hij er blij uit.
Zijn ogen glimmen.
Hij roept me naar de schutting.
De schutting is van hout en een beetje grijs.
'Rick, ik heb goed nieuws!' zegt hij.
'Wat is er?' vraag ik.
'Ik ga zonnepanelen kopen,' zegt Kees.
'Dat is duur,' zeg ik.
'Ja, maar het is goed voor de portemonnee,' lacht hij.
'En voor de lucht.' Ik knik.
Mijn andere buurvrouw, Anouk, hoort ons.
Ze komt erbij staan.
Ze draagt een groene trui.
'Ik lees net iets in de krant,' zegt ze.
'De grote bazen in Brussel hebben nieuwe plannen.' 'Wat voor plannen?' vraag ik.
'Ze willen dat we minder stroom gebruiken,' zegt Anouk.
'En dat we meer zelf doen.' Kees kijkt verbaasd.
'Dus mijn zonnepanelen zijn een goed idee?' 'Ja,' zegt Anouk.
'Maar niet iedereen is blij.' 'Waarom niet?' vraag ik.
'Sommige mensen vinden het te snel gaan,' zegt ze.
'Ze zeggen dat het te veel geld kost.' Kees schudt zijn hoofd.
'Geld is niet alles,' zegt hij.
'We moeten aan de kinderen denken.' Anouk knikt.
'Mijn zoon van tien maakt zich zorgen,' zegt ze.
'Hij hoort op school dat het slecht gaat met de natuur.' 'Wat zegt de juf?' vraag ik.
'De juf zegt dat we kleine stapjes moeten doen,' zegt Anouk.
'Zoals minder vlees eten en vaker fietsen.' Kees lacht.
'Ik fiets al elke dag naar de winkel.
De lucht ruikt dan naar vers brood.' 'Goed zo,' zeg ik.
'Ik loop altijd naar het station.
De trein maakt een zacht geluid.' Anouk zucht.
'Het is niet makkelijk,' zegt ze.
'Mijn man werkt in de stad.
Hij moet met de auto.' 'Kan hij niet met de trein?' vraag ik.
'Dat is te duur,' zegt Anouk.
'En het duurt te lang.' Kees denkt na.
'Misschien kunnen we samen iets doen,' zegt hij.
'Wat dan?' vraag ik.
'We kunnen een auto delen,' zegt Kees.
'Dan gebruiken we minder brandstof.' Anouk vindt het een goed idee.
'Dat scheelt geld,' zegt ze.
'En het is beter voor de lucht.' Ik glimlach.
'Jullie hebben gelijk,' zeg ik.
'Samen zijn we sterker.' De volgende dag zie ik Kees in de tuin.
Hij heeft een grote doos.
De doos is blauw en wit.
Ik ruik het karton.
'De zonnepanelen zijn er!' roept hij.
'Mooi,' zeg ik.
'Wanneer komen ze op het dak?' 'Volgende week,' zegt Kees.
'Een man komt ze installeren.' Anouk komt eraan.
Ze heeft een kop koffie in haar hand.
De koffie ruikt sterk.
'Ik heb met mijn man gepraat,' zegt ze.
'We gaan de auto delen met de buren aan de overkant.' 'Geweldig,' zegt Kees.
'Zo helpen we elkaar.' Ik voel me blij.
Het is fijn om samen te werken.
We maken het dorp een beetje beter.
De zon schijnt en de vogels fluiten.
De vogels zingen luid.
Het is een mooie dag.
Ik denk aan de kinderen.
Aan mijn eigen kinderen en aan die van Anouk.
We doen het voor hen.
Voor een betere wereld.
Ik kijk naar de blauwe lucht en denk aan de kleine stapjes.
Elke stap helpt.
Samen kunnen we veel doen.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze