Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

De Man Die Zweeg

David zat in zijn kantoor in Jeruzalem.

Buiten scheen de zon fel.

Hij keek naar de papieren op zijn bureau.

Er stond een waarschuwing op.

Een groep mensen wilde een aanval doen.

David had dit bericht al eerder gezien.

Hij had het doorgestuurd naar zijn baas.

Zijn baas was de minister-president.

De minister-president heette Benjamin.

Iedereen noemde hem Bibi.

David had gewacht op een antwoord.

Er kwam geen antwoord.

David dacht: misschien is het niet belangrijk.

Misschien is het een fout.

Hij legde het papier weg.

Hij ging verder met andere dingen.

Die avond ging hij naar huis.

Hij at met zijn vrouw.

Ze aten kip en rijst.

Zijn vrouw vroeg: hoe was je dag?

David zei: druk, zoals altijd.

Hij zei niet meer.

Hij dacht aan het papier.

Maar hij zei niets.

De volgende dag ging hij weer naar zijn werk.

Hij keek niet meer naar het papier.

Hij dacht: als er iets gebeurt, dan hoor ik het wel.

Maar er gebeurde niets.

Weken gingen voorbij.

David vergat het papier.

Tot op een dag.

Het was vroeg in de ochtend.

David werd gebeld.

Een vriend zei: er is een aanval geweest.

Veel mensen zijn dood.

David voelde een koude wind door zijn lichaam.

Hij dacht: dat papier.

Dat papier van weken geleden.

Hij had het kunnen voorkomen.

Hij had iets kunnen doen.

Maar hij deed niets.

Hij ging naar zijn kantoor.

Iedereen was stil.

Mensen keken naar hun schermen.

Op het nieuws zagen ze beelden van rook en vuur.

David voelde zich misselijk.

Hij dacht: had ik maar iets gedaan.

Had ik maar gebeld.

Had ik maar geschreeuwd.

Maar hij deed het niet.

Later die dag kwam er een bericht.

Een krant had een verhaal.

De krant zei: Bibi was gewaarschuwd.

Hij wist het.

Maar hij deed niets.

David las het verhaal.

Hij dacht: ik was ook gewaarschuwd.

Ik wist het ook.

Maar ik deed ook niets.

Hij voelde zich klein.

Hij voelde zich schuldig.

Hij wilde wegrennen.

Maar hij bleef zitten.

Zijn handen trilden.

Hij dacht aan de families.

De families die nu huilen.

De families die iemand hebben verloren.

Hij dacht: had ik maar iets gedaan.

Die avond ging hij naar huis.

Hij liep door de straten.

De straten waren leeg.

De lucht rook naar rook.

Hij hoorde sirenes in de verte.

Hij dacht: dit had ik kunnen voorkomen.

Maar ik deed het niet.

Ik was te bang.

Ik was te lui.

Ik dacht: het komt wel goed.

Maar het kwam niet goed.

Thuis zat zijn vrouw op de bank.

Ze keek naar het nieuws.

Ze zei: wat erg.

David zei niets.

Hij ging zitten.

Hij keek naar de televisie.

Hij zag een man die huilde.

De man zei: mijn dochter is dood.

David voelde een traan op zijn wang.

Hij veegde hem weg.

Zijn vrouw zei: wat is er?

David zei: niets.

Maar het was niet niets.

Het was alles.

Hij dacht: morgen ga ik naar mijn baas.

Ik ga het vertellen.

Ik ga zeggen dat ik het wist.

Maar de volgende dag durfde hij het niet.

Hij was bang.

Bang voor wat er zou gebeuren.

Bang voor zijn baan.

Bang voor de reacties.

Dus hij zei niets.

Hij bleef stil.

En de dagen gingen voorbij.

Het nieuws ging over andere dingen.

Maar David dacht er elke dag aan.

Elke nacht zag hij het papier voor zich.

Elke ochtend voelde hij de schuld.

Hij werd stiller.

Hij lachte minder.

Zijn vrouw vroeg: gaat het?

David zei: ja, hoor.

Maar het ging niet.

Op een dag kwam er een onderzoek.

Mensen wilden weten wat er was gebeurd.

Wie had wat geweten?

Wie had wat gedaan?

David werd opgeroepen.

Hij moest komen praten.

Hij zat in een kamer.

Een man vroeg: wist u van de waarschuwing?

David zei: ja.

De man vroeg: waarom deed u niets?

David zei: ik weet het niet.

Ik was bang.

Ik dacht dat het niet belangrijk was.

De man zei: maar het was belangrijk.

David zei: ja, dat weet ik nu.

Hij huilde.

Hij zei: het spijt me.

Maar sorry maakt de doden niet levend.

De man zei: u bent niet de enige.

Er zijn meer mensen die niets deden.

David knikte.

Hij dacht: dat maakt het niet beter.

Maar het is waar.

Soms doen mensen niets.

Soms zijn ze bang.

Soms denken ze: het komt wel goed.

Maar het komt niet altijd goed.

David ging naar huis.

Hij liep langzaam.

De lucht was grijs.

Hij dacht: ik zal nooit meer zwijgen.

Als ik iets zie, dan zeg ik het.

Dan bel ik.

Dan schreeuw ik.

Maar hij wist dat het te laat was.

Voor die mensen.

Voor die families.

Voor hemzelf.

Hij ging naar binnen.

Zijn vrouw zat op de bank.

Ze zei: hoe was het?

David zei: moeilijk.

Maar ik heb het gedaan.

Ik heb de waarheid verteld.

Zijn vrouw knikte.

Ze zei: dat is goed.

David ging zitten.

Hij keek naar buiten.

De zon ging onder.

De lucht werd rood.

Hij dacht: morgen is een nieuwe dag.

Maar de schuld blijft.

Altijd.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze