Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

De Verkeerde Jas

Het is maandag.

De lucht is grijs.

Het regent een beetje.

Tom loopt naar zijn werk.

Hij werkt in een klein huis.

Het huis is van de stad.

Tom draagt een blauwe jas.

De jas is van zijn broer.

Zijn broer heet Daan.

Daan is ook een man van de wet.

Daan werkt op straat.

Hij let op auto's.

Hij let op fietsen.

Hij let op mensen.

Tom hoort de regen op de grond.

De regen maakt een tikkend geluid.

Tom ziet een plas.

De plas is nat.

Tom stapt in de plas.

Zijn schoen wordt nat.

Tom voelt de kou.

Hij loopt snel.

Hij ruikt de regen.

De lucht ruikt fris.

Tom komt bij het huis.

Hij doet de deur open.

Hij hangt zijn jas aan een haak.

De haak is bij de deur.

Er hangt al een jas.

De jas is ook blauw.

De jas lijkt op de jas van Tom.

Tom pakt de verkeerde jas.

Hij doet de jas aan.

Hij gaat naar zijn tafel.

Hij werkt de hele dag.

Hij typt op een computer.

Hij leest papieren.

Hij drinkt koffie.

De koffie is warm.

De koffie ruikt lekker.

Buiten regent het nog.

Tom hoort de regen.

De regen tikt op het raam.

Tom kijkt naar buiten.

Hij ziet de grijze lucht.

Hij ziet de natte straat.

Hij werkt door.

Hij typt en leest.

Hij drinkt zijn koffie.

De dag gaat langzaam.

Om vijf uur gaat Tom naar huis.

Hij loopt door de regen.

De jas wordt nat.

Tom voelt iets in de zak.

Hij stopt zijn hand in de zak.

Hij voelt papier.

Hij pakt het papier.

Het is een briefje.

Er staat een nummer op.

En een naam.

De naam is niet van Tom.

De naam is van een man.

De man heet meneer De Groot.

Tom leest het briefje.

Hij fronst.

Wat is dit? denkt Tom.

Hij kijkt nog eens.

Het nummer is lang.

De naam is duidelijk.

Tom stopt het briefje terug.

Hij loopt naar huis.

De regen valt op zijn hoofd.

Hij voelt de regen.

Hij ruikt de regen.

Hij denkt aan het briefje.

Thuis belt Tom zijn broer Daan.

Daan neemt op.

Tom zegt: Ik heb jouw jas.

Daan lacht.

Daan zegt: Ik heb jouw jas.

Tom zegt: Er zit een briefje in.

Daan is stil.

Dan zegt Daan: O nee.

Dat is niet goed.

Tom vraagt: Wat is het?

Daan zegt: Dat is een briefje van mijn werk.

Ik moet dat briefje hebben.

Tom zegt: Ik kom morgen.

Daan zegt: Dank je.

Tom hoort de regen nog.

De regen tikt op het raam.

Tom voelt zich moe.

Hij gaat slapen.

De volgende dag gaat Tom naar Daan.

Tom geeft de jas.

Daan geeft de jas van Tom.

Daan kijkt in de zak.

Het briefje is er nog.

Daan zucht.

Daan zegt: Dank je.

Tom zegt: Wat is er?

Daan zegt: Ik heb een fout gemaakt.

Ik heb een briefje in de verkeerde jas gedaan.

Tom zegt: Iedereen maakt een fout.

Daan lacht.

Daan zegt: Ja.

Jij ook.

Jij had mijn jas.

Tom lacht ook.

De regen stopt.

De zon komt.

Tom gaat naar huis.

Hij voelt zich goed.

Hij denkt aan de fout.

Iedereen maakt een fout.

Dat is niet erg.

Tom loopt naar huis.

De zon is warm.

Hij voelt de zon.

Hij ruikt de frisse lucht.

Hij is blij.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze