

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ali woont in Istanbul.
Istanbul is een grote stad.
De stad is druk.
Er zijn veel mensen.
Er zijn veel auto's.
Ali hoort de auto's.
Hij ruikt de zee.
De zee is dichtbij.
Ali heeft een vriend.
De vriend heet Mert.
Mert is aardig.
Mert is lang.
Mert lacht veel.
Ali en Mert zijn goede vrienden.
Ze zijn al lang vrienden.
Ali gaat naar een gebouw.
Het gebouw is oud.
Het gebouw heeft een rode deur.
De rode deur is mooi.
De deur is rood als een appel.
Ali klopt op de deur.
Hij hoort muziek.
De muziek is zacht.
De muziek klinkt als een lied.
Ali is blij.
Hij ruikt thee.
De thee ruikt zoet.
Mert is ook bij de rode deur.
Mert zegt: "Hallo Ali!" Ali zegt: "Hallo Mert!" Ze lachen samen.
Het is een fijne dag.
De zon schijnt.
De lucht is blauw.
Er zijn kleine wolken.
De wolken zijn wit.
Binnen zijn veel mensen.
De mensen praten.
De mensen lachen.
Het is warm binnen.
Ali ziet een tafel.
De tafel is hout.
Op de tafel staat thee.
De thee is warm.
De thee is in kleine glazen.
Ali drinkt de thee.
De thee smaakt goed.
De thee smaakt naar suiker.
Ali drinkt nog een glas thee.
De thee is lekker.
Mert zegt: "Kijk, daar is Sara." Ali kijkt.
Sara zwaait.
Ali zwaait terug.
Sara loopt naar Ali.
Sara zegt: "Hoe gaat het?" Ali zegt: "Goed, dank je!" Sara lacht.
Sara heeft een rode jurk.
De jurk is mooi.
Plots zijn er mannen bij de deur.
De mannen kloppen hard.
Ze kloppen heel hard.
Ali hoort het geluid.
Het geluid is luid.
Het geluid is als een trommel.
Ali kijkt naar de deur.
Mert kijkt ook naar de deur.
Sara kijkt naar de deur.
De mannen komen binnen.
Ze zijn in het zwart.
Ze hebben zwarte jassen.
Ze hebben zwarte schoenen.
Ali staat stil.
Mert staat stil.
Sara staat stil.
Iedereen staat stil.
Het is stil in de kamer.
Een man zegt: "Stop!" Ali hoort het woord.
Ali is bang.
Mert is ook bang.
Sara pakt de hand van Ali.
Ali pakt de hand van Sara.
De hand van Sara is warm.
De hand van Ali is koud.
De mannen nemen mensen mee.
Ze nemen Mert mee.
Ali ziet Mert gaan.
Mert loopt naar de deur.
Ali roept: "Mert!" Mert kijkt om.
Mert zegt: "Ali, bel mijn zus!" Ali knikt.
Ali zegt: "Ja, ik bel haar!" De mannen gaan weg.
De deur is dicht.
Ali loopt naar buiten.
De straat is stil.
De lucht is grijs.
Het is koud buiten.
Ali ruikt regen.
Ali heeft zijn telefoon.
Hij belt de zus van Mert.
De zus heet Lale.
Ali zegt: "Lale, Mert is weg." Lale zegt: "Wat?
Waar is hij?" Ali zegt: "Ik weet het niet." Lale is stil.
Dan zegt ze: "Ik kom." Lale komt naar de straat.
Ze ziet Ali.
Ze ziet de rode deur.
De rode deur is nu dicht.
De deur is nog steeds rood.
Lale zegt: "Dit is niet goed." Ali zegt: "Nee, dit is niet goed." Lale huilt.
Ali huilt niet.
Ali denkt aan Mert.
Ali en Lale staan samen.
Ze kijken naar de rode deur.
Ali denkt aan Mert.
Mert is zijn vriend.
Mert is een goede vriend.
Ali wil helpen.
Ali zegt: "We zoeken hulp." Lale zegt: "Ja, we zoeken hulp." Lale veegt haar tranen.
Ze kijkt naar Ali.
De dag is lang.
De dag is zwaar.
Maar Ali en Lale staan samen.
Ze zijn samen sterk.
Ze zoeken hulp voor Mert.
Ali denkt: "Mert is mijn vriend.
Ik help mijn vriend." Hij kijkt naar de lucht.
De lucht is nog grijs.
Maar Ali is niet alleen.
Lale is bij hem.
Ze lopen samen.
Ze zoeken hulp.
Ze zoeken een politieagent.
Ze zoeken een vriend.
Ze zoeken hoop.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze