Find my level
Login
Play me!
Alle podcasts

De Trein Staat Stil

Hallo, ik ben Rick.

Vandaag vertel ik een verhaal.

Het verhaal gaat over een trein.

De trein is heel groot.

De trein is heel lang.

De trein is rood met geel.

Daan rijdt in de trein.

Daan is een man.

Hij werkt op de trein.

Hij rijdt van de stad.

Hij rijdt naar het land.

Het is een mooie dag.

De zon schijnt in de lucht.

De lucht is heel blauw.

Daan kijkt naar buiten.

Hij ziet bomen en gras.

De bomen zijn groen.

Het gras is ook groen.

Hij ziet ook schapen.

De schapen zijn wit.

De schapen eten gras.

Daan is blij.

Hij houdt van zijn werk.

Hij drinkt een beetje water.

Het water is koud.

Het water is lekker.

De trein rijdt heel hard.

De trein gaat over het spoor.

Het spoor is heel lang.

Het spoor is hard.

Maar dan ziet daan iets.

Daan kijkt heel goed.

Er is iets op het spoor.

Wat is dat daar?

Daan stopt de trein.

De trein staat nu stil.

Daan kijkt uit het raam.

Hij ziet mensen op het spoor.

Het zijn heel veel mensen.

Hij ziet een man.

Hij ziet een vrouw.

Hij ziet nog een man.

Hij ziet ook een kind.

Zij zitten op de grond.

Zij zitten op het spoor.

De trein kan niet verder.

De trein moet hier blijven.

Daan weet het niet.

Waarom zitten zij daar?

Lisa is een vrouw.

Zij zit op het spoor.

Zij heeft een bord.

Het bord is groot.

Het bord is wit.

Lisa kijkt naar de trein.

Zij kijkt naar Daan.

Daan doet het raam open.

Daan zegt.

Hallo.

Lisa zegt.

Hallo meneer.

Daan vraagt.

Wat doen jullie?

Lisa zegt.

Wij zitten hier.

Daan zegt.

De trein moet rijden.

Lisa zegt.

Wij gaan niet weg.

Daan kijkt naar de mensen.

De mensen zingen een lied.

Het lied is heel mooi.

De mensen zijn blij.

Maar de trein staat stil.

De trein kan niet rijden.

Daan pakt zijn telefoon.

De telefoon is zwart.

Hij belt naar zijn baas.

Daan zegt.

Ik sta stil.

De baas vraagt.

Waarom?

Daan zegt.

Mensen op het spoor.

De baas zegt.

Blijf daar.

Daan zegt.

Dat is goed.

Daan heeft nu veel tijd.

Hij pakt zijn tas.

De tas is blauw.

Er zit eten in de tas.

Daan heeft een appel.

De appel is groen.

Daan eet de appel.

De appel is heel lekker.

Hij kijkt naar Lisa.

Lisa heeft ook eten.

Zij eet een banaan.

De banaan is geel.

Lisa deelt het eten.

Zij geeft eten aan de man.

Zij geeft eten aan het kind.

Iedereen eet op het spoor.

Het is een beetje gek.

Het is ook een beetje leuk.

Daan lacht naar Lisa.

Lisa lacht naar Daan.

De zon gaat nu weg.

Er komen wolken in de lucht.

De wolken zijn grijs.

Het weer is niet mooi meer.

Het is nu koud.

Lisa heeft een jas.

De jas is blauw.

Zij doet de jas aan.

De andere mensen hebben het koud.

Zij willen naar huis.

Zij willen niet meer zitten.

Lisa staat op.

Zij pakt haar bord.

Zij kijkt naar Daan.

Lisa zegt.

Wij gaan weg.

Daan zegt.

Dat is fijn.

Lisa zegt.

Wij gaan naar huis.

Daan zegt.

Tot ziens.

Lisa zegt.

Dag meneer.

De mensen lopen weg.

Zij lopen van het spoor.

Het spoor is nu leeg.

Daan is heel blij.

Hij zet de trein aan.

De trein doet het weer.

De trein rijdt weer.

Daan rijdt naar de stad.

Hij kijkt naar de lucht.

Het regent een beetje.

Maar Daan zit droog.

De trein is warm.

Daan denkt aan de mensen.

Hij denkt aan Lisa.

Hij lacht een beetje.

Het is een gekke dag.

Maar alles is nu goed.

De trein is op tijd.

Daan gaat straks naar huis.

Hij gaat dan ook eten.

Hij eet vanavond soep.

Soep met veel brood.

Dat is heel lekker.

Tot de volgende keer.

Bedankt voor het luisteren naar Dutch Fluency.

Op Dutchfluency.com vind je de tekst.

De transcript en oefeningen.

Spreek Nederlandse zelfs als je stottert.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze