

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Naast de groene pannekoek. Jan staat in de keuken. Jan houdt van pannekoeken.
Pannekoeken zijn lekker. Jan maakt elke week pannekoeken.
Vandaag is het anders. Jan heeft een idee, een raar idee.
Jan zegt, ik maak groene pannekoeken.
Zijn vrouw, Lisa kijkt hem aan.
Groene pannekoeken zegt Lisa. Dat is raar Jan. Jan knikt.
Ja, groene pannekoeken. Met spinatie, Lisa kijkt niet blij.
Jan pakt de melk. De melk is wit. Jan pakt de spinatie.
De spinatie is groen. Jan pakt twee ijren. De ijren zijn geel.
Jan doet de melk in de blender. Jan doet de spinatie in de blender.
De blender maakt veel geluid. Nu is de melk groen.
De melk is heel groen. Lisa kijkt naar de groene melk. Jan zegt Lisa.
Het is goed, zegt Jan. Jan pakt de pan. Jan doet boter in de pan.
De pan is warm. Jan doet het groene mengsel in de pan.
De pannekoek is groen. Heel erg groen. Jan kijkt naar de pannekoek.
De pannekoek wordt bruin. Nee, de pannekoek wordt zwart.
snel, heel snel. Oeps, zegt Jan. Jan maakt een nieuwe pannekoek.
Deze pannekoek is ook groen. Jan is verzichtig. Het vuur is laag.
De pannekoek is klaar. Jan ligt de pannekoek op een bord. Het bord is wit.
De pannekoek is groen. Dat ziet er raar uit.
Lisa kijkt naar het bord. Jan, dat is geen eten. Dat is gras. Jan lacht.
Proef het. Lisa, proef de pannekoek. Lisa koud. Lisa denkt na.
Het is, het is oké, zegt Lisa. Zie je wel, zegt Jan.
Het is lekker. Lisa zegt. Het is een beetje raar. Jan zegt.
Maar het is gezond. Lisa knikt langzaam. Ja, het is gezond. Jan is blij.
Lisa is niet helemaal blij. Maar de pannekoeken zijn op. Dat is goed, toch?
Jan zegt. Volgende week maak ik oranje pannekoeken met wortel.
Lisa pakt haar jas.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze