

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Lenn, de rook van de buuren.
Jan woont in een groot huis.
Het huis is hoog.
Het huis heeft vier verdiepingen.
Jan woont op de eerste verdieping.
De buuren van Jan heette Piet en Marie.
Piet en Marie hebben een kleine kamer in de tuin.
De kamer is laag.
De kamer is klein.
In de kamer staat een kagel.
De kagel is een houd kagel.
Piet en Marie maken vuur in de kagel.
Elke avond maken zij vuur.
De kagel maakt de rook.
Veel rook.
De rook gaat omhoog.
Maar het huis van Jan is hoog.
De rook kan niet weg.
De rook blijft hangen.
Jan ruikt de rook.
Jan voelt pijn in zijn keel.
Zijn ogen zijn nat.
Zijn vrouw heeft ook pijn.
Zijn kinderen hebben ook pijn.
De rook is slecht.
Jan sluit de ramen.
De ramen zijn dicht.
Maar de rook komt nog steeds.
Jan is niet blij.
Jan is boos.
Jan gaat naar de buuren.
Hij klopt op de deur.
Piet open de deur.
Piet zegt Jan.
De rook is slecht voor ons.
Piet zegt welke rook.
Ik zie geen rook.
Jan kijk naar de schoorsteen.
De schoorsteen maakt de rook.
Jan ziet de rook.
Piet ziet de rook ook.
Maar Piet zegt, nee.
Jan is heel boos nu.
Jan beeld de gemeente.
De gemeente zegt, praten met de buuren.
Jan zegt, maar de buuren praten niet met mij.
De gemeente zegt, wij helpen niet.
Jan is heel, heel boos.
Jan denkt, de schoorsteen is laag.
Het huis van Jan is hoog.
De schoorsteen moet hoger zijn.
Dat is de regel.
Jan maakt foto's van de schoorsteen.
De foto's zijn goed bewijs.
Jan schrijft een brief.
De brief gaat naar de gemeente.
De brief heeft de foto's.
Nu, wacht, Jan.
Wachten is moeilijk.
Maar Jan wacht.
De buuren maken nog steeds vuur.
De rook is nog steeds slecht.
Maar Jan heeft nu een plan.
En Piet piet zegt nog steeds.
Welke rook?
Jan kijk naar de schoorsteen.
Hij ziet de rook.
Hij lacht een beetje.
Piet is een grappige man.
Maar de rook is niet grappig.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze