

Woordenschat
Er is een man, de man heeft Jan. Jan is een goed man. Jan woont in een huis. Het huis is in Nederland. Jan heeft een auto.
There is a man, the man's name is Jan. Jan is a good man. Jan lives in a house. The house is in the Netherlands. Jan has a car.
De auto is oud, maar goed. Op een dag krijgt Jan een telefoon. De man aan de telefoon zegt, jij hebt een prijs gewonnen. Je moet nu betalen. Jan is blij.
Hij denkt dat hij een nieuwe auto heeft gewonnen. Jan betaalt. Maar er komt geen auto. Jan is bedroefd.
Hij heeft geen auto gewonnen. Jan gaat naar de politie. De politie kan niet doen. Jan is boos. Hij wil niet meer bedroegen worden. Jan heeft een plan.
Hij wil alle mensen in Nederland informeren. Jan gaat naar zijn werk. Hij werkt in een café. Hij praat met de mensen in het café. Hij zegt, let op voor de telefoon scams.