

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Er is een man, de man heeft Jan.
Jan is een goed man.
Jan woont in een huis.
Het huis is in Nederland.
Jan heeft een auto.
De auto is oud, maar goed.
Op een dag krijgt Jan een telefoon.
De man aan de telefoon zegt, jij hebt een prijs gewonnen.
Je moet nu betalen.
Jan is blij.
Hij denkt dat hij een nieuwe auto heeft gewonnen.
Jan betaalt.
Maar er komt geen auto.
Jan is bedroefd.
Hij heeft geen auto gewonnen.
Jan gaat naar de politie.
De politie kan niet doen.
Jan is boos.
Hij wil niet meer bedroegen worden.
Jan heeft een plan.
Hij wil alle mensen in Nederland informeren.
Jan gaat naar zijn werk.
Hij werkt in een café.
Hij praat met de mensen in het café.
Hij zegt, let op voor de telefoon scams.
De mensen luisteren naar Jan.
Zij zijn nu voorzichtig.
Jan gaat naar het park.
Hij praat met de mensen in het park.
Hij zegt, let op voor de telefoon scams.
De mensen luisteren naar Jan.
Zij zijn nu voorzichtig.
Jan gaat naar de winkel.
Hij praat met de mensen in de winkel.
Hij zegt, let op voor de telefoon scams.
De mensen luisteren naar Jan.
Zij zijn nu voorzichtig.
Jan is blij.
Hij helpt de mensen.
De mensen zijn dankbaar.
Zij willen niet bedroegen worden.
Zij zijn nu voorzichtig.
Dankzij Jan zijn de mensen nu veilig.
Jan is een held.
De mensen houden van Jan.
Zij zeggen, dankjewel Jan.
En Jan?
Jan is blij.
Hij is niet meer boos.
Hij is niet meer bedroefd.
Hij heeft de mensen geholpen.
Hij heeft het tijd gekeerd.
En hij heeft een nieuw plan.
Hij gaat een boek schrijven.
Een boek over scams.
Zo dat iedereen kan lesen en leren.
En veilig kan zijn.
Kijk, dat is Jan.
Een goede man.
Een held.
Een man die helpt.
Een man die informeert.
Een man die het tijd geert.
Een man die schrijft.
Een man die leert.
Een man die veilig is.
Dat is Jan.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze