

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Meneer Rosen is een man.
Hij werkt in Den Haag.
Hij werkt voor de stad.
Hij praat met mensen.
Hij helpt de stad.
De mensen kennen hem.
Hij is een bekende man.
Vandaag is een grote dag.
Meneer Rosen zegt: "Ik stop in mei." Zijn vrienden kijken naar hem.
Zij zeggen: "Waarom?" Meneer Rosen zegt: "Ik wil iets anders doen." Hij denkt aan zijn huis.
Hij denkt aan zijn tuin.
Hij wil in de tuin zitten.
Hij wil naar de bomen kijken.
Hij wil koffie drinken.
Hij wil rust hebben.
Maar hij zegt niet veel.
Hij lacht alleen.
Zijn vrienden zijn verbaasd.
Zij zeggen: "Dat is een grote stap." Meneer Rosen knikt.
Hij zegt: "Ja, maar ik ben klaar." De dagen gaan voorbij.
Meneer Rosen gaat naar zijn werk.
Hij zit in een grote zaal.
Hij praat met andere mensen.
Hij zegt: "Ik ga weg." De mensen klappen.
Zij zeggen: "Dank je wel." Meneer Rosen voelt zich goed.
Hij denkt: "Dit is goed." Maar hij heeft ook een ander gevoel.
Hij denkt aan zijn werk.
Hij heeft veel jaren gewerkt.
Hij heeft veel gedaan.
Nu stopt het.
Dat is raar.
Hij loopt naar huis.
Hij ziet de straat.
Hij ziet de huizen.
Hij ziet de mensen.
Hij denkt: "De stad is mooi." Hij komt thuis.
Hij zet koffie.
Hij zit in zijn tuin.
Hij kijkt naar de lucht.
De lucht is blauw.
Hij hoort een vogel.
De vogel zingt.
Meneer Rosen lacht.
Hij zegt: "Dit is ook goed." De volgende dag gaat hij naar de winkel.
Hij koopt brood.
Hij koopt kaas.
Hij koopt fruit.
De winkelman zegt: "Hé, meneer Rosen.
U stopt toch?" Meneer Rosen zegt: "Ja, dat klopt." De winkelman zegt: "Wat gaat u doen?" Meneer Rosen zegt: "Ik weet het niet.
Eerst rust." De winkelman lacht.
Hij zegt: "Dat klinkt goed." Meneer Rosen loopt naar huis.
Hij eet brood met kaas.
Het smaakt goed.
Hij denkt aan de toekomst.
Hij wil reizen.
Hij wil naar de zee.
Hij wil naar het bos.
Hij wil nieuwe dingen zien.
Maar eerst wil hij thuis zijn.
Hij wil zijn tuin doen.
Hij wil planten zetten.
Hij wil bloemen zien.
Hij wil groente eten uit zijn tuin.
Dat is zijn plan.
Zijn vrienden bellen hem.
Zij zeggen: "Kom je nog naar het werk?" Meneer Rosen zegt: "Nee, ik ben thuis." Zij zeggen: "We missen je." Meneer Rosen zegt: "Ik mis jullie ook." Maar hij blijft thuis.
Hij is blij.
Hij heeft geen haast.
Hij heeft geen stress.
Hij heeft alleen rust.
Hij leest een boek.
Hij drinkt koffie.
Hij kijkt naar de wolken.
De wolken zijn wit.
De zon schijnt.
Het is een mooie dag.
Meneer Rosen denkt: "Dit is mijn nieuwe leven." Hij staat op.
Hij loopt naar de keuken.
Hij maakt een appel klaar.
Hij eet de appel.
De appel is zoet.
Hij lacht.
Hij zegt: "Ik ben gelukkig." De maanden gaan voorbij.
Mei komt.
De verkiezingen zijn er.
Meneer Rosen gaat niet naar de stad.
Hij blijft thuis.
Hij hoort het nieuws op de radio.
De mensen praten over hem.
Zij zeggen: "Hij is weg." Meneer Rosen zegt: "Ja, ik ben weg." Hij zet de radio uit.
Hij kijkt naar zijn tuin.
De bloemen zijn mooi.
De groente groeit.
Hij plukt een tomaat.
Hij eet de tomaat.
Hij zegt: "Dit is lekker." Hij denkt aan zijn oude werk.
Hij denkt aan de grote zaal.
Hij denkt aan de mensen.
Maar hij wil niet terug.
Hij wil hier zijn.
Hij wil in de tuin zijn.
Hij wil rust hebben.
Hij zegt: "Dit is mijn keuze." Zijn buurman komt langs.
De buurman zegt: "Hoe gaat het?" Meneer Rosen zegt: "Het gaat goed." De buurman zegt: "Je ziet er goed uit." Meneer Rosen lacht.
Hij zegt: "Dank je." De buurman zegt: "Kom je morgen naar het park?" Meneer Rosen zegt: "Ja, dat is leuk." De buurman loopt weg.
Meneer Rosen zit in zijn tuin.
Hij drinkt water.
Hij kijkt naar de lucht.
Hij denkt: "Dit is een goed leven." Hij heeft geen spijt.
Hij is blij met zijn keuze.
Hij heeft een nieuw leven.
Het is eenvoudig.
Het is goed.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze