
Busongeluk Zwitserland: 13 passagiers terug in Nederland

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Tim: Hé, welkom bij Nieuws door de Tijd.
Ik ben Tim, uit het jaar 2250.
Samen met Pieter, uit 1850, bespreken we nieuws van vandaag.
Vandaag een ernstig onderwerp: een busongeluk in Zwitserland.
Dertien passagiers zijn terug in Nederland.
We beginnen met een moment van stilte voor de slachtoffers.
Pieter: Goedendag, mijn goede heer.
Wat een droevig bericht.
In mijn tijd, in 1850, zou zo'n ongeval met een postkoets ook groot verdriet brengen.
Maar de afstand naar Zwitserland was toen een reis van weken.
Nu is dat heel anders.
Tim: Klopt, Pieter.
Vandaag vatten we samen.
Donderdag verongelukte een bus in Zwitserland, bij het dorp Susch.
De bus schoot door de vangrail op een plek waar wegwerkzaamheden waren.
Veertig inzittenden raakten gewond.
Vijf Nederlanders kwamen om het leven: vier vrouwen en een man.
Pieter: Hm-hm.
Vangrail, zegt gij?
In mijn tijd hadden we geen vangrails.
We hadden sloten en bomen langs de weg.
Een ongeluk met een koets was vaak fataal.
Maar veertig gewonden, dat is verschrikkelijk.
En die mensen waren ver van huis.
Tim: Ja, en nu zijn dertien passagiers terug in Nederland.
Een deel kwam met een bus.
Vijf anderen reizen per ambulance, taxi en vliegtuig.
Nog elf mensen liggen in het ziekenhuis.
Een van hen ligt op de intensive care.
Een team van alarmcentrale Eurocross is in Zwitserland om te helpen.
Pieter: Alarmcentrale?
Dat woord ken ik niet.
In 1850 hadden we geen telefoon.
Als er iets gebeurde, stuurde men een bode te paard.
Vertel mij, wat doet zo'n alarmcentrale?
Tim: Een alarmcentrale is een organisatie die mensen helpt bij noodgevallen in het buitenland.
Ze regelen vervoer, ziekenhuisopname, en papieren.
Eurocross begeleidt de patiënten die bijna naar huis mogen.
Ze letten op de wensen van de betrokkenen, veiligheid en een rustige reis.
Dat is heel belangrijk.
Pieter: Dat klinkt als een gilde van helpers.
In mijn tijd hadden we gilden voor ambachten, maar geen gilde voor reizigers in nood.
Wel hadden we herbergen waar men elkaar hielp.
Maar dit is beter georganiseerd.
Goed zo.
Tim: Zeker.
En er was een probleem met reisdocumenten.
Sommige slachtoffers hadden geen paspoort of ID-kaart, omdat die nog in de bus lagen.
Dat is nu opgelost.
Alle getroffenen hebben weer een reisdocument.
Dat is belangrijk om naar huis te kunnen reizen.
Pieter: Een paspoort in een bus laten liggen?
In mijn tijd had een koopman zijn papieren altijd op zak.
Maar ja, bij een ongeluk denk je niet aan papieren.
Gelukkig is het opgelost.
Hoe gaan die mensen nu naar huis?
Tim: Sommigen met een bus, anderen per ambulance, taxi of vliegtuig.
Eurocross hoopt snel meer mensen te repatriëren.
Repatriëren betekent: mensen naar hun eigen land terugbrengen.
Dat is een moeilijk woord, maar het komt van het Latijnse 'patria', vaderland.
Pieter: Ah, repatriëren.
Dat begrijp ik.
In 1850 hadden we ook zoiets: als een zeeman in een ver land overleed, probeerde men zijn lichaam naar huis te brengen.
Dat noemde men 'repatriëren'.
Mooi dat dat nog bestaat.
Tim: Ja, en nu het leerpunt.
In het nieuws hoor je woorden zoals 'opgehaald', 'teruggekeerd', 'thuisgebracht'.
Dat zijn scheidbare werkwoorden.
Ze bestaan uit een voorzetsel en een werkwoord.
In de zin splitsen ze: 'De bus haalt de passagiers op.' 'De passagiers keren terug.' Pieter: Scheidbare werkwoorden?
Gij bedoelt dat het voorzetsel loskomt?
In mijn tijd zeiden we: 'Ik ga naar huis toe.' Dat is ook zoiets.
Maar geef eens een voorbeeld.
Tim: Simpele zin: 'Ik bel je op.' Betere zin: 'Ik zal je vanavond opbellen.' Dus in de hoofdzin splitst het: 'Ik bel op.' In de bijzin niet: 'Ik zeg dat ik je opbel.' Dat is de regel.
Oefen maar met 'opbellen', 'terugkomen', 'meenemen'.
Pieter: Dus als ik zeg: 'Ik neem mijn hoed mee', dan is 'meenemen' gesplitst?
En in de bijzin: 'Ik zeg dat ik mijn hoed meeneem.' Dat klinkt logisch.
Dank u, mijn goede heer.
Ik zal het onthouden.
Tim: Graag gedaan.
Laten we even stilstaan bij de slachtoffers.
Vijf mensen: een vrouw van 71 uit Haarlem, een vrouw van 79 uit Rotterdam, een vrouw van 80 uit Maastricht, een vrouw van 75 uit Noord-Brabant en een man van 75 uit Groningen.
Onze gedachten zijn bij hen en hun families.
Pieter: Ja, dat is het belangrijkste.
In 1850 zou men zeggen: 'Moge God hun ziel genadig zijn.' Ik ben geen priester, maar ik voel mee met de nabestaanden.
Zulke dingen overkomen ons allemaal, of we nu in 1850 of 2250 leven.
Tim: Mooi gezegd, Pieter.
En de politie doet onderzoek naar de toedracht.
Toedracht betekent: hoe iets gebeurd is.
De bus is weggetakeld en wordt op een andere plek onderzocht.
Hopelijk weten we snel meer.
Maar nu al is duidelijk dat de bus door de vangrail schoot bij wegwerkzaamheden.
Pieter: Wegwerkzaamheden?
In mijn tijd waren wegen vaak modderig.
Werkzaamheden betekenden dat arbeiders stenen legden.
Nu zijn er machines.
Maar goed, dat is niet het belangrijkste.
Het gaat om de mensen.
Hoe gaat het nu met de gewonden?
Tim: Nog elf liggen in het ziekenhuis.
Een op de intensive care.
Dat betekent dat iemand heel ernstig gewond is en extra zorg nodig heeft.
De anderen zijn stabiel.
Eurocross blijft in Zwitserland zolang nodig.
Ze helpen ook patiënten die bijna naar huis mogen met hun terugkeer.
Pieter: Dat is goed.
In 1850 zou een gewonde in een vreemd land weinig hulp krijgen.
Nu is er een heel team.
De wereld is kleiner geworden, maar het verdriet is hetzelfde.
Laten we hopen dat iedereen snel thuis is.
Tim: Ja.
En jij, luisteraar, denk eens na: wat zou jij doen als je in het buitenland een ongeluk krijgt?
Wie bel je?
Gelukkig zijn er organisaties zoals Eurocross.
In 2250 hebben we nog snellere hulp, maar het principe blijft: mensen helpen mensen.
Pieter: In 2250?
Gij spreekt alsof gij daar geweest zijt.
Maar goed, ik snap het.
De mens blijft mens.
Laten we verdergaan met het tweede deel van ons gesprek.
Wat gebeurt er nu met de onderzoeken en de slachtoffers?
Tim: Zeker.
In deel twee praten we over de oorzaak, de rol van de politie en wat we kunnen leren over veiligheid.
Maar eerst: onthoud het leerpunt over scheidbare werkwoorden.
En denk aan de slachtoffers.
Dit was deel 1.
Blijf luisteren naar deel 2.
Tim: We zijn terug.
In deel een hadden we het over de passagiers die thuiskomen en de gewonden.
Nu kijken we naar de oorzaak en wat de politie doet.
En we leggen nog een woord uit: toedracht.
Dat betekent: hoe is iets precies gebeurd?
Welke oorzaken en omstandigheden leidden tot het ongeluk?
De politie onderzoekt de toedracht.
Dat is belangrijk voor de waarheid en voor de toekomst.
Pieter: De toedracht.
In mijn tijd zou men zeggen: de toedracht van een schipbreuk of een brand.
Men onderzocht of de kapitein fouten had gemaakt, of de wind, of het materiaal.
Maar vaak was er geen goed onderzoek.
Nu is er een politie die sporen onderzoekt, getuigen hoort en technisch bewijs gebruikt.
Dat is winst.
Maar het blijft mensenwerk.
Wat weten we al?
Tim: Duidelijk is dat de bus door de vangrail schoot op een plek waar wegwerkzaamheden waren.
De bus is weggetakeld en wordt elders onderzocht.
De politie kijkt naar de snelheid, de staat van de bus, de weg en de omstandigheden.
Misschien was er een fout van de bestuurder, misschien een technisch probleem, misschien iets met de weg.
We weten het nog niet.
Pieter: Wegwerkzaamheden.
In 1850 betekende dat arbeiders met houwelen en kruiwagens.
Nu zijn er machines en wegafzettingen.
Maar gevaar blijft.
Een vangrail is een ijzeren hek langs de weg.
Als een bus daar doorheen schiet, is de klap enorm.
Ik vraag me af: is de vangrail wel sterk genoeg?
Of is de snelheid te hoog?
Dat zijn vragen voor deskundigen.
Tim: Precies.
En dat onderzoek duurt vaak maanden.
De politie in Zwitserland doet dat samen met experts.
Voor de nabestaanden is dat moeilijk.
Ze willen antwoorden.
In 2250 hebben we snelle simulaties en sensoren die alles meten, maar zelfs dan blijft de vraag: waarom?
Soms is er geen simpel antwoord.
Maar het is goed dat er zorgvuldig wordt gekeken.
Pieter: Zorgvuldigheid.
Dat woord ken ik uit de kerk en de handel.
Een zorgvuldig koopman weegt zijn waar.
Een zorgvuldige rechter hoort beide partijen.
Hier is de politie de rechter nog niet, maar ze moet zorgvuldig zijn.
Anders krijgt men valse beschuldigingen.
Ik hoop dat de waarheid boven tafel komt, voor de slachtoffers en hun families.
Tim: Ja.
En laten we het nu hebben over veiligheid in het algemeen.
Wat kunnen reizigers leren?
Als je met de bus reist, let dan op de nooduitgangen.
Draag altijd een veiligheidsgordel.
En als er een ongeluk gebeurt, blijf kalm en luister naar de hulpdiensten.
Dat klinkt simpel, maar het redt levens.
In 2250 hebben bussen automatische noodsystemen, maar jouw eigen voorbereiding blijft belangrijk.
Pieter: Gordels.
In mijn tijd had een koets geen gordels.
Bij een ongeluk vloog men eruit.
Nu zijn er gordels en airbags.
Toch vergeten mensen ze soms.
Dat is jammer.
Een gordel is als een goed huwelijk: hij houdt je vast als het moeilijk wordt.
Vergeef me de vergelijking, maar zo denk ik erover.
Veiligheid begint bij jezelf.
Tim: Mooi gezegd, Pieter.
En nu het leerpunt van vandaag.
We hebben het over scheidbare werkwoorden.
Dat zijn werkwoorden die uit twee delen bestaan, bijvoorbeeld 'opbellen' of 'thuiskomen'.
In een gewone zin splits je ze: 'Ik bel de dokter op.' Of: 'De passagiers komen morgen thuis.' Het tweede deel gaat naar het einde van de zin.
Dat is even wennen.
Pieter: In mijn tijd zei men: 'Ik zal hem opbellen' of 'Ik bel hem op'.
Dat is hetzelfde.
Gij moet goed luisteren: het voorzetsel of het bijwoord staat achteraan.
'Ik bel op.' 'Wij komen thuis.' Maar in een bijzin blijft het bij elkaar: 'Ik hoop dat hij opbelt.' Dat is lastig, maar met oefening gaat het goed.
Geef een voorbeeld, Tim.
Tim: Simpele zin: 'Ik bel mijn moeder op.' Betere zin: 'Ik bel mijn moeder op zodra ik in Nederland ben.' Zie je?
In de simpele zin staat 'op' achteraan.
In de betere zin ook, maar met extra informatie.
En als je zegt: 'Ik heb mijn moeder opgebeld', dan komt 'op' voor het voltooid deelwoord.
Dat is de regel.
Oefen maar met 'thuiskomen': 'Ik kom thuis' en 'Ik ben thuisgekomen'.
Pieter: Dus: 'De passagiers komen thuis' en 'De passagiers zijn thuisgekomen'.
Dat klinkt logisch.
In het Nederlands moet je goed luisteren naar de plaats van het tweede deel.
Soms verandert de betekenis niet, maar de zinsbouw wel.
Dank, Tim.
Laten we nu teruggaan naar het nieuws.
Wat gebeurt er met de slachtoffers die nog in Zwitserland zijn?
Tim: Eurocross blijft daar zolang nodig.
Ze helpen patiënten die bijna naar huis mogen met hun terugkeer.
Een deel reist per ambulance, taxi of vliegtuig.
Vijf mensen komen in ieder geval nog terug.
Elf liggen nog in het ziekenhuis, een op de intensive care.
Dat is de zwaarste afdeling.
De andere gewonden zijn stabiel.
Iedereen krijgt begeleiding.
Pieter: Begeleiding.
In 1850 zou een gewonde in een vreemd land alleen zijn, tenzij een liefdadige organisatie hielp.
Nu is er een heel team.
Dat is vooruitgang.
Maar ik denk aan de families.
Zij wachten thuis.
Elk telefoontje, elk bericht is belangrijk.
Hoe gaat dat in 2250?
Heeft men dan direct hersencontact?
Tim: Bijna.
In 2250 hebben we neurale berichten, maar die zijn niet altijd toegestaan bij emotioneel nieuws.
Soms is een stem nog het beste.
Een menselijke stem stelt gerust.
Eurocross doet dat goed: ze bellen, ze leggen uit, ze regelen.
Technologie verandert, maar een warme stem blijft krachtig.
Dat geldt ook voor jou, luisteraar: als je iemand kunt bellen die hulp nodig heeft, doe het.
Pieter: Warmte.
Ja.
En laten we de mensen die omkwamen niet vergeten.
Vijf Nederlanders: vier vrouwen en een man.
Een vrouw van 71 uit Haarlem, een van 79 uit Rotterdam, een van 80 uit Maastricht, een van 75 uit Noord-Brabant en een man van 75 uit Groningen.
Dat zijn geen cijfers.
Dat zijn levens.
Mogen zij rusten in vrede.
Tim: Mooi gezegd.
Even stilte voor hen.
En voor de veertig gewonden, hun families en de hulpverleners.
Dit nieuws raakt ons allemaal.
Reizen is mooi, maar het kan ook gevaarlijk zijn.
Toch mogen we niet stoppen met reizen.
We moeten leren van wat er misgaat.
De politie onderzoekt de toedracht.
Wij kunnen ondertussen veiliger gedrag aanleren.
Pieter: Veiliger gedrag.
In mijn tijd zei men: 'Beter een goede buur dan een verre vriend.' Maar hier gaat het om voorzorg.
Draag een gordel, let op de nooduitgang, luister naar de instructies.
Kleine dingen redden levens.
Ik hoop dat de onderzoekers snel duidelijkheid geven.
En dat de gewonden mogen herstellen.
Dat is mijn wens.
Tim: En dat is ook mijn wens.
Laten we nog één woord uitleggen: repatriëren.
Dat betekent: iemand terugbrengen naar het eigen land.
Eurocross hoopt snel meer getroffenen te repatriëren.
Soms per ambulance, soms per vliegtuig.
Het is een duur woord, maar de betekenis is simpel: naar huis.
Naar Nederland.
Naar familie.
Pieter: Repatriëren.
Van het Latijnse 'patria', vaderland.
In mijn tijd gebruikte men dat woord voor zeelieden die terugkeerden.
Nu voor buspassagiers.
De wereld is kleiner, maar het verlangen naar huis is hetzelfde.
Ik hoop dat alle gewonden snel mogen repatriëren.
En dat de doden een waardig afscheid krijgen.
Tim: Ja.
En jij, luisteraar, wat neem jij mee uit dit verhaal?
Misschien denk je aan je volgende reis.
Of aan iemand die in het buitenland woont.
Praat erover met vrienden.
Oefen de scheidbare werkwoorden: 'thuiskomen', 'opbellen', 'meenemen'.
En onthoud: achter elk nieuwsbericht zitten mensen.
Dat is het belangrijkste.
Pieter: Mensen.
Ja.
In 1850 las men nieuws in de krant, vaak dagen oud.
Nu hoort men het meteen.
Maar het hart reageert nog steeds hetzelfde: met medelijden, met hoop, met verdriet.
Dank, Tim, voor dit gesprek.
Ik vond het leerzaam.
En ik hoop dat de luisteraar ook iets heeft geleerd, niet alleen woorden, maar ook menselijkheid.
Tim: Dank, Pieter.
En dank aan jou, luisteraar.
Dit was deel twee.
We hebben gepraat over de toedracht, de gewonden, de repatriëring en het leerpunt van scheidbare werkwoorden.
Als je verder wilt praten, ga naar nieuwsdoordetijd.com.
Daar kun je reageren, vragen stellen en meer afleveringen vinden.
Blijf nieuwsgierig.
Blijf leren.
En tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze