Alle podcasts

Een Koude Les op het Wad

Ik ben Rick, leraar Nederlands uit Den Haag, en die vrijdag was ik met mijn cursisten op Ameland.

Niet voor vakantie, al deed de frisse lucht ons wel goed, maar voor een taalweekend.

Ik had bedacht dat je nieuwe woorden beter onthoudt als je ze voelt, ruikt en hoort.

Het woord ‘wind’ hoefde ik bijvoorbeeld niet meer uit te leggen.

De wind trok aan onze jassen alsof hij haast had.

Aan het einde van de middag stonden we bij het wad.

De lucht was grijsblauw, de meeuwen maakten scherpe geluiden en ergens verderop sloeg een vlag tegen een paal.

Het rook naar zeewier, nat hout en koffie uit de thermosfles van Janke, onze gids.

Janke was klein, rustig en duidelijk.

Zij had die ochtend al gezegd: ‘Het wad is mooi, maar het houdt geen rekening met jouw planning.’ Mijn cursist Bilal lachte toen. ‘Dat klinkt als de Belastingdienst,’ zei hij.

Iedereen lachte, ook Janke, maar haar ogen bleven ernstig.

Ze wees naar de kaart op haar telefoon en daarna naar de zee, die ver weg leek te liggen. ‘Straks komt het water terug.

Eerst langzaam, daarna sneller dan je verwacht.’ We waren met z’n zessen: ik, Janke, Bilal, Noor, Mees en Amina.

We zouden alleen een korte wandeling maken over het stevige zand dicht bij de dijk.

Toch zagen we in de verte drie kleine figuren lopen, veel verder dan verstandig leek.

Ze droegen felgekleurde jassen en maakten foto’s.

Een van hen zwaaide naar iets dat wij niet konden zien. ‘Zijn dat wadlopers?’ vroeg Noor.

Janke kneep haar ogen samen. ‘Ja.

En volgens mij zijn ze zonder gids.’ Er viel even stilte.

Zelfs Bilal zei niets.

Toen hoorden we in de verte een laag geluid, alsof een motor moeite deed tegen de wind in.

Bij de reddingspost begon beweging te komen.

Twee mannen trokken oranje pakken aan.

Een vrouw sprak in een telefoon en keek steeds naar het water.

Er werd een kleine boot klaargemaakt.

Het gebeurde allemaal snel, maar niet rommelig.

Alsof iedereen wist wat er gedaan moest worden.

Mees fluisterde: ‘Is dit ernstig?’ Janke antwoordde: ‘Het kan ernstig worden.

Ze staan nog droog, maar dat kan veranderen.’ Ik voelde dat mijn rol als leraar even veranderde.

Normaal verbeter ik werkwoorden en uitspraak.

Nu wilde ik vooral dat mijn groep bleef staan waar ze stond. ‘We gaan niet dichterbij,’ zei ik. ‘We kijken alleen.

En we luisteren naar Janke.’ Amina trok haar sjaal hoger. ‘Waarom gaan mensen dan toch zo ver?’ vroeg ze.

Ik dacht aan hoe vaak wij in de stad op een scherm kijken en denken dat een blauwe lijn ons wel zal redden. ‘Misschien denken ze dat informatie hetzelfde is als inzicht,’ zei ik.

Dat klonk meteen te zwaar, dus ik voegde eraan toe: ‘Of hun schoenen waren te duur om alleen op het terras te laten zien.’ Noor grinnikte.

De boot ging het water op.

Hij maakte een brommend geluid en liet een witte lijn achter.

De drie mensen in de verte stonden nu dichter bij elkaar.

Hun vrolijke houding was verdwenen.

Een van hen hield een telefoon hoog, alsof bereik een soort paraplu was.

Het water glansde om hen heen.

Niet hoog, maar genoeg om duidelijk te maken dat het wad geen speelplein was.

Janke vertelde zacht dat er die week al eerder mensen waren opgehaald. ‘Soms lezen mensen de waarschuwingen wel,’ zei ze, ‘maar ze passen hun plan niet aan.

Dan wordt een wandeling een reddingsactie.’ De boot kon niet helemaal tot bij de groep komen.

Twee redders stapten uit en liepen het laatste stuk door het ondiepe water.

Vanaf onze plek leek het eenvoudig, maar Janke legde uit dat je niet altijd ziet waar de bodem lager is.

De redders gaven de mensen een hand.

Eerst kwam een vrouw mee, daarna een man met een rugzak, en tenslotte iemand die bleef omkijken naar zijn tas.

Bilal schudde zijn hoofd. ‘Broer, laat die tas.

Je broodje kaas schrijft geen afscheidsbrief.’ Ik moest lachen, maar kort.

De situatie was nog niet voorbij.

Toen iedereen in de boot zat, leek de groep kleiner dan eerder.

Mensen zijn op afstand vaak helden.

Van dichtbij zijn het gewoon natte sokken, bleke gezichten en handen die trillen.

De boot keerde terug.

Aan de kant werden dekens uitgedeeld.

De vrouw met de telefoon huilde niet, maar ze keek alsof ze net een les had gekregen waarvoor ze zich niet had ingeschreven.

Een redder sprak kort met haar.

Hij wees naar het bord met tijden van eb en vloed.

Zijn toon was rustig.

Dat vond ik sterk.

Hij maakte niemand belachelijk, hoewel hij daar misschien reden voor had.

Op de terugweg naar het dorp zei Noor: ‘Ik dacht altijd dat natuur vooral rust was.’ Janke antwoordde: ‘Rust is er zeker, maar rust betekent niet dat alles veilig is.’ Die zin schreef ik later in mijn notitieboek.

In het café bestelden we warme chocolademelk.

Onze schoenen stonden onder de tafel te lekken en Bilal probeerde zijn sokken te drogen met de handdroger van het toilet, wat volgens de eigenaar geen officieel Amelands gebruik was.

We praatten nog lang na.

Als de groep verder was gelopen, als de boot later was vertrokken, als de wind was gedraaid, dan had de avond heel anders kunnen eindigen.

Zulke zinnen met ‘als’ gebruik ik vaak in de les, maar nu voelde de grammatica ineens minder schools.

Ze ging over echte keuzes.

Toen ik later in mijn kamer zat, hoorde ik buiten de regen tegen het raam tikken.

Ik dacht aan mijn cursisten, aan de redders en aan de drie wandelaars die waarschijnlijk nooit meer zo snel een bord met waarschuwingen zouden overslaan.

Ik voelde geen boosheid, eerder dankbaarheid.

Soms leert de zee ons meer dan een docent kan voorbereiden.

En geloof me, als leraar uit Den Haag bereid ik best veel voor.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze