

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
De stroopwafel.
Jan is een man.
Jan woont in Nederland.
Jan heeft een vraag.
De vraag is groot.
Jan zit in de tuin.
Hij drinkt koffie.
De koffie is warm.
Hij eet een stroopwafel.
De stroopwafel is lekker.
Jan denkt na.
Hij vraagt.
Wat is Nederland's?
Jan kijk naar de stroopwafel.
De stroopwafel is rond.
De stroopwafel is zoet.
Jan zegt.
Dit is Nederland's.
Maar dan komt zijn buurman.
De buurman heet Agmet.
Agmet is ook een man.
Agmet woont ook in Nederland.
Agmet zegt.
Hey Jan, wat doe jij?
Jan zegt.
Ik denk na.
Ik denk over Nederland.
Agmet zit ook in de tuin.
Agmet drinkt ook koffie.
Jan geeft Agmet een stroopwafel.
Agmet eet de stroopwafel.
Agmet zegt.
Lekker.
Jan zegt.
De stroopwafel is Nederland's.
Agmet lacht.
Agmet zegt.
Weet jij het zeker?
Jan kijkt naar Agmet.
Jan zegt.
Ja, de stroopwafel is van Nederland.
Agmet schut zijn hoofd.
Agmet zegt.
De stroopwafel heeft zuiker.
De zuiker komt niet van Nederland.
De stroopwafel heeft kanil.
De kanil komt ook niet van Nederland.
Jan kijkt naar zijn stroopwafel.
Jan zegt.
Oh, Agmet zegt.
En de top.
De top is het symbol van Nederland.
Jan zegt.
Ja, de top is Nederland's.
Agmet lacht weer.
Agmet zegt.
Nee Jan, de top komt uit Turkije.
Jan kijkt naar zijn tuin.
In de tuin zijn veel tulpen.
De tulpen zijn rood.
De tulpen zijn mooi.
Jan zegt.
De tulpen komen uit Turkije.
Agmet zegt.
Ja, lang geleden.
Jan denkt na.
Jan kijkt naar Agmet.
Jan kijkt naar de tulpen.
Jan kijkt naar de stroopwafel.
Jan zegt.
Dus.
Wat is dan Nederland's?
Agmet lacht.
Agmet zegt.
Wij zijn Nederland's Jan.
Jij en ik.
Wij wonen hier.
Wij drinken koffie.
ECC.
Wij eten stroopwafels.
Jan lacht ook.
Jan zegt.
Dat is een goed antwoord.
Agmet zegt.
Nog een stroopwafel.
Jan zegt.
Ja, graag.
De twee mannen zitten in de tuin.
Jij eten stroopwafels.
Jij drinken koffie.
Jij zijn buuren.
Jij zijn vrienden.
Jij zijn Nederland's.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze