

0:00
0:003:00
De stroopwafel. Jan is een man. Jan woont in Nederland. Jan heeft een vraag. De vraag is groot. Jan zit in de tuin. Hij drinkt koffie.
De koffie is warm. Hij eet een stroopwafel. De stroopwafel is lekker. Jan denkt na. Hij vraagt. Wat is Nederland's? Jan kijk naar de stroopwafel.
De stroopwafel is rond. De stroopwafel is zoet. Jan zegt. Dit is Nederland's. Maar dan komt zijn buurman. De buurman heet Agmet.
Agmet is ook een man. Agmet woont ook in Nederland. Agmet zegt. Hey Jan, wat doe jij? Jan zegt.
Ik denk na. Ik denk over Nederland. Agmet zit ook in de tuin. Agmet drinkt ook koffie. Jan geeft Agmet een stroopwafel. Agmet eet de stroopwafel. Agmet zegt.