

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Tom woont in Rotterdam.
Hij heeft een kleine winkel.
De winkel is rood.
Tom verkoopt fruit.
Hij verkoopt appels en peren.
De appels zijn rood.
De peren zijn geel.
Tom is blij met zijn winkel.
Het is maandag.
Tom staat vroeg op.
Hij loopt naar de winkel.
De straat is stil.
De zon schijnt zacht.
Tom ziet een kat.
De kat is oranje.
De kat loopt ook.
Tom lacht.
Hij zegt: 'Goedemorgen, kat!' De kat kijkt naar Tom.
Dan loopt de kat weg.
De straat ruikt naar vers brood.
Tom hoort een vogel zingen.
Tom opent de winkel.
De deur maakt een zacht geluid.
Hij zet de appels neer.
Hij zet de peren neer.
De winkel ruikt lekker.
De geur van fruit is zoet.
Tom drinkt koffie.
De koffie is warm en zwart.
Tom is tevreden.
Hij kijkt naar de rode appels en de gele peren.
Een vrouw komt binnen.
Zij heet Lisa.
Lisa heeft een blauwe tas.
Lisa kijkt naar de appels.
Haar ogen zijn vriendelijk.
Zij pakt een appel.
De appel is groot en rood.
Lisa zegt: 'Wat kost deze appel?' Tom zegt: 'Twee euro.' Lisa zegt: 'Goed!
Ik koop hem.' Zij geeft Tom twee euro.
Tom geeft Lisa de appel.
Lisa lacht.
Tom lacht ook.
De winkel voelt warm.
Dan komt een man binnen.
De man heet Daan.
Daan is groot.
Hij heeft een groene jas.
Daan kijkt naar de peren.
Hij pakt drie peren.
De peren zijn geel en zacht.
Daan zegt: 'Zijn de peren vers?' Tom zegt: 'Ja, heel vers!
Ze zijn vanmorgen gekomen.' Daan is blij.
Hij koopt de drie peren.
Tom telt het geld: twee euro, vier euro, zes euro.
Tom is blij.
De peren zijn verkocht.
Het is nu twaalf uur.
Tom eet een boterham.
De boterham is lekker, met kaas.
Tom drinkt water.
Het water is koud.
Tom kijkt naar de straat.
Hij ziet kinderen.
De kinderen spelen.
Zij lachen en roepen.
Tom hoort de kinderen.
Hij lacht ook.
Het geluid van de kinderen maakt Tom vrolijk.
Een meisje komt de winkel in.
Zij heet Mia.
Mia is klein.
Zij heeft een gele jurk.
Mia kijkt naar de appels.
Haar ogen zijn groot.
Mia zegt: 'Ik wil een appel, alstublieft.' Tom pakt een kleine appel.
Hij geeft de appel aan Mia.
Mia zegt: 'Dank u wel!' Tom zegt: 'Graag gedaan, Mia!' Mia loopt weg.
Zij eet de appel.
De appel is zoet, zegt ze.
Tom denkt: 'Mia is een lief meisje.' Het is nu vier uur.
De winkel is bijna leeg.
Tom telt de appels.
Er zijn nog vijf appels.
Tom telt de peren.
Er zijn nog twee peren.
Tom is tevreden.
Het is een goede dag.
De appels en peren ruiken nog steeds lekker.
Tom sluit de winkel.
Hij loopt naar huis.
De straat is warm.
De zon schijnt.
Tom denkt: 'Morgen koop ik meer appels en peren.' Hij is moe maar blij.
Thuis drinkt Tom thee.
De thee is warm en zoet.
Tom zit op de bank.
Hij kijkt naar buiten.
De lucht is oranje.
Het is een mooie avond.
Tom denkt: 'Ik hou van mijn winkel.' Tom gaat slapen.
Hij slaapt goed.
Morgen is er weer een nieuwe dag in de winkel.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze