

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Er is een man.
De man heeft juist.
Juist heeft een café.
In het café is beer.
Juist verkoopt het beer.
Het beer kost geld.
Juist heeft een probleem.
Het beer is duur.
De prijs van het beer gaat omhoog.
Juist moet meer geld vragen.
Juist vindt dit niet leuk.
Juist vindt het ook niet eerlijk.
Juist heeft een idee.
Hij kopt kleinere glazen.
De glazen zijn klein, maar het beer is hetzelfde.
De klanten zien het niet.
Zij denken dat het glas groot is.
Zij geven juist geld voor het beer.
Maar dan is er een klant.
De klant heet Peter.
Peter kopt een beer.
Peter drinkt het beer.
Peter denkt, dit is een klein glas.
Peter is niet blij.
Peter zegt tegen juist, dit is niet eerlijk.
Juist kijkt naar Peter.
Juist zegt, ik moet geld verdienen.
Het beer is duur.
Peter begrijpt het.
Maar Peter is nog steeds niet blij.
Dan komt er een vrouw.
De vrouw heet Anna.
Anna hoort juist en Peter praten.
Anna zegt, ik wil ook een beer.
Juist geeft Anna een beer.
Anna kijkt naar het glas.
Anna zegt, dit is een klein glas, maar ik begrijp het.
Het beer is duur.
Juist kijkt naar Anna.
Juist is blij.
Juist zegt, dank je Anna.
Anna lacht.
Anna drinkt haar beer.
Anna is blij.
Peter kijkt naar Anna.
Peter denkt, Anna heeft gelijk.
Het beer is duur, maar ik wil een groot glas.
Peter zegt tegen juist, ik wil een groot glas.
Juist zegt, oké, Peter, jij krijgt een groot glas.
Juist geeft Peter een groot glas.
Peter is blij.
Peter drinkt zijn beer.
Peter zegt, dank je juist.
Juist lacht.
Juist zegt, graag gedaan, Peter.
In het café van juist is iedereen blij.
Het beer is duur, maar de klanten zijn blij.
Ze hebben hun beer, ze hebben hun café en ze hebben juist.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze