

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo, ik ben Rick.
Vanavond neem ik je mee naar een bijzondere plek.
Een plek waar de tijd langzamer lijkt te gaan.
Waar warmte en rust samenkomen.
Maak het jezelf gemakkelijk.
Zoek een comfortabele positie.
Laat je schouders zakken en adem rustig in en uit.
We gaan samen naar een oude boerderij, diep in het Nederlandse platteland, op een koude winteravond.
Het is buiten al donker.
De avond is vroeg gevallen, zoals dat gaat in de winter.
Je loopt over een smal pad naar de boerderij.
Onder je voeten knerpt de sneeuw zacht.
Het is een fijn geluid, regelmatig en kalmerend.
Elke stap maakt hetzelfde zachte geluid.
Knerp, knerp, knerp.
De sneeuw is vandaag gevallen en bedekt alles met een dik wit tapijt.
De wereld om je heen is stil en vredig.
De lucht is helder en koud.
Als je uitademt, zie je kleine wolkjes die langzaam oplossen in de avondlucht.
Boven je schitteren de sterren.
Zoveel sterren.
Meer dan je ooit in de stad zou kunnen zien.
Ze twinkelen zacht, als kleine lichtjes die speciaal voor jou branden.
De maan is bijna vol en geeft net genoeg licht om het pad te kunnen zien.
Het maanlicht weerkaatst op de sneeuw en alles krijgt een zachte, blauwe gloed.
In de verte zie je de boerderij.
Het is een oud gebouw met dikke muren en een rieten dak.
Uit de schoorsteen komt een dunne streep rook.
De rook stijgt langzaam op, draait en kronkelt in de koude lucht en verdwijnt dan in de donkere hemel.
Bij de ramen zie je een warm geel licht.
Het licht is zacht en uitnodigend.
Het belooft warmte en geborgenheid.
Je komt dichterbij.
Het pad loopt langs een oude eik.
De boom is kaal nu, in de winter.
Zijn takken zijn bedekt met een laagje sneeuw.
Sommige takken buigen een beetje door onder het gewicht.
De boom staat er al zo lang, misschien wel honderd jaar of meer.
Hij heeft zoveel winters gezien.
Hij staat sterk en rustig, als een oude vriend die over de boerderij waakt.
Naast het pad staat een houten hek.
Ook dit hek is bedekt met sneeuw.
Je legt je hand erop als je langsloopt.
De sneeuw is zacht en koud tegen je handschoen.
Achter het hek ligt een weiland, nu helemaal wit.
In de lente en zomer grazen hier koeien, maar nu is het leeg en stil.
Het weiland strekt zich uit tot aan de bomen in de verte.
Alles is rustig.
ENAlles slaapt.
Je bent nu bij de deur van de boerderij.
Het is een dikke, houten deur met ijzeren beslag.
De deur is oud, maar stevig.
Je klopt zacht aan.
Het geluid klinkt gedempt in de winteravond.
Even wacht je.
Dan hoor je voetstappen aan de andere kant.
De deur gaat langzaam open en een golf van warmte komt je tegemoet.
Je stapt naar binnen.
Meteen voel je het verschil.
De warmte omringt je als een zachte deken.
Je voeten staan nu op oude, stenen tegels.
De tegels zijn een beetje ongelijk, gesleten door honderd jaren van gebruik.
Je stampt zacht met je voeten om de sneeuw van je laarzen te krijgen.
Iemand helpt je uit je jas.
Je trekt je handschoenen uit en voelt de warmte langzaam in je vingers terugkeren.
Je bent in een grote woonkamer.
Het plafond is hoog met dikke houten balken.
De balken zijn donker van ouderdom en glimmen zacht in het licht.
Aan de balken hangen gedroogde kruiden en bloemen.
Lavendel, rozemarijn, wat oude rozen.
Je kunt de geuren ruiken, zacht en kruidig.
De muren zijn wit gepleisterd en dik.
Zo dik dat ze alle kou buiten houden en alle warmte binnen.
Aan de ene kant van de kamer staat een grote oude kast.
De kast is van donker hout met mooi snijwerk.
Op de kast staan koperen kandelaars en oude borden.
Aan de andere kant staat een lange tafel met houten stoelen eromheen.
Op de tafel ligt een kleed van gehaakte kant.
Er staat een vaas met takken erin.
De takken zijn kaal, maar ze zijn mooi gerangschikt.
Maar wat meteen je aandacht trekt is de open haard.
Het is een grote, oude haard van natuursteen.
De stenen zijn ruw en ongelijk, in tinten van grijs en bruin.
De haard neemt bijna een hele muur in beslag.
Hij is zo groot dat je er rechtop in zou kunnen staan.
Maar nu brandt er een prachtig vuur en de warmte straalt de hele kamer in.
Je loopt langzaam naar de haard.
Voor de haard staan twee oude fauteuils.
Ze zijn bekleed met versleten, maar comfortabel fluweel in een donkerrode kleur.
Tussen de stoelen staat een klein tafeltje met een theepot erop.
De theepot is van aardewerk, dik en stevig en houdt de thee warm.
Je ziet de stoom zacht opstijgen uit de tuit.
Je gaat in een van de fauteuils zitten.
De stoel is precies goed.
Niet te hard, niet te zacht.
Hij lijkt zich aan je lichaam aan te passen.
Je voeten rusten op een dik, wollen kleed dat voor de haard ligt.
Het kleed is handgeweven in patronen van rood, blauw en wit.
Het voelt warm en zacht aan, zelfs door je sokken heen.
Nu zit je hier, comfortabel en warm.
Je kijkt naar het vuur.
De vlammen dansen en spelen.
Ze zijn oranje en geel, met hier en daar een vleugje blauw aan de onderkant.
Het hout in de haard is van eik en beuk.
Dikke blokken die langzaam branden.
Het vuur maakt een zacht, knapperend geluid.
Af en toe springt er een vonkje op.
Een klein lichtpuntje dat even danst en dan uitdooft.
Het geluid van het vuur is als een lied.
Knapperend, sissend, zacht ruisend.
Het is een geluid dat je helemaal vult, dat alle andere gedachten wegneemt.
Je kijkt naar de vlammen en je gedachten worden rustiger, langzamer.
Het vuur heeft zijn eigen ritme en jij volgt dat ritme.
Inademen, uitademen, in het tempo van de dansende vlammen.
De warmte van het vuur is heerlijk.
Je voelt hem op je gezicht, op je handen.
Het is een droge, zachte warmte die diep in je botten trekt.
Al die kou van buiten verdwijnt.
Je spieren ontspannen zich.
Je schouders zakken nog wat verder naar beneden.
Je nek wordt zachter.
Je kaak ontspant.
Op het tafeltje naast je staat een mok.
Je pakt hem op.
De mok is groot en zwaar, van aardewerk en warm aan je handen.
Je brengt hem naar je gezicht en ruikt.
Het is kruidenthee, kamille, met een vleugje honing en misschien wat citroenmelisse.
De geur is zacht en geruststellend.
Je neemt een kleine slok.
De thee is warm, maar niet te heet.
Hij smaakt zacht en een beetje zoet.
De warmte verspreidt zich van je mond naar je keel, naar je maag.
Het is alsof je van binnen verlicht wordt.
Je zet de mok terug en kijkt weer naar het vuur.
Het hout is nu goed aan het branden.
De blokken gloeien rood en oranje.
Je kunt de structuur van het hout zien, de jaarringen die nu oplichten in de hitte.
Sommige stukken hout zijn al bijna helemaal opgebrand.
Ze zijn wit en grijs geworden, met een hart van gloeiend rood.
Als je goed kijkt, kun je zien hoe ze langzaam ineenzakken, hoe ze hun vorm verliezen en as worden.
De schaduwen in de kamer dansen mee met het vuur.
Op de muren zie je de beweging van de vlammen weerspiegeld.
Licht en donker wisselen elkaar af in een eindeloze dans.
Het is hypnotiserend om naar te kijken.
Je ogen volgen de beweging, langzaam, zonder haast.
Er is alle tijd.
Tijd bestaat hier anders, langzamer, vriendelijker.
Je hoort een tak tegen het raam tikken.
Heel zacht, als een voorzichtig klopje.
Het is de oude appelboom die naast het huis staat.
Zijn takken zijn kaal nu, maar in de lente zal hij vol witte bloesem staan.
Nu slaapt hij, net als de rest van de natuur.
Hij wacht geduldig op de lente.
In de haard verschuift een blok hout.
Het maakt een zacht, rollend geluid en er vliegen wat vonken op.
De vonken dansen omhoog.
Kleine sterretjes van licht die even oplichten en dan verdwijnen.
Je volgt ze met je ogen.
Omhoog, omhoog, tot ze niet meer te zien zijn.
Dan richt je je blik weer op de vlammen.
De kleuren van het vuur zijn zo mooi.
Diep oranje, helder geel, soms een vleugje groen of blauw, waar het hout speciale mineralen bevat.
De kleuren stromen in elkaar over, veranderen constant, maar toch blijft het beeld hetzelfde.
Het vuur brandt, de vlammen dansen, de warmte straalt.
Het is een constante geruststellende aanwezigheid.
Je hoort ergens in huis een klok tikken.
Het is een oude staande klok met een diepe rustige tik.
Tik, tok, tik, tok.
Het geluid is regelmatig en kalmerend.
Het markeert de tijd, maar op een vriendelijke manier.
Geen haast, geen stress.
Gewoon het zacht verstrijken van de momenten, één na één.
Op de schoorsteenmantel staan wat dingen.
Een paar kaarsen in oude kandelaars.
De kaarsen branden niet, dat is niet nodig met het vuur.
Er staat ook een foto in een houten lijst.
Je kunt hem niet goed zien vanaf je stoel, maar het lijkt een oude familiefoto.
Mensen uit een andere tijd, die ook bij deze haard hebben gezeten, die ook naar dit vuur hebben gekeken.
Naast de haard ligt een mand met hout.
Keurig opgestapelde blokken, klaar om gebruikt te worden.
Het hout is droog en heeft een aangename geur.
De geur van bos, van bomen, van natuur.
Sommige blokken hebben nog stukjes schors.
De schors is ruw en vol textuur.
Je zou het kunnen aanraken, de ruwheid kunnen voelen, maar je blijft lekker zitten.
Je bent te comfortabel om te bewegen.
De fauteuil waarin je zit lijkt je een beetje te omhelzen.
Hij heeft armleuningen die precies goed zijn, niet te hoog, niet te laag.
Je armen rusten erop, zwaar en ontspannen.
Je handen liggen los, de vingers een beetje gekruld.
Je voelt het fluweel van de bekleding onder je vingertoppen.
Het is zacht en een beetje warm.
Je benen zijn uitgestrekt, je voeten op het warme kleed.
Je tenen bewegen een beetje, genieten van de warmte.
Al je spieren zijn ontspannen.
Je voelt hoe zwaar je lichaam is, hoe het zich overgeeft aan de stoel, aan de zwaartekracht.
Het is een fijn gevoel, dit gewicht.
Het betekent dat je kunt loslaten, dat je niets hoeft te doen.
Je ademhaling is rustig en regelmatig.
Inademen door je neus, de warme lucht van de kamer.
Uitademen door je mond, langzaam en volledig.
Je buik gaat omhoog en omlaag in een rustig ritme. Je hoeft er niet over na te denken. Het gebeurt vanzelf. Zoals het vuur brandt zonder dat je iets hoeft te doen. Alles gaat zoals het moet gaan. In het vuur zie je vormen. Als je lang genoeg kijkt, lijken de vlammen figuren te maken. Een vogel misschien?
Of een golf?
Of gewoon abstracte patronen die mooi zijn om te zien.
Je fantasie speelt een beetje, zonder inspanning.
Het is alsof het vuur verhalen vertelt.
Oude verhalen zonder woorden.
De warmte maakt je een beetje slaperig.
Dat is goed.
Dat mag.
Er is niets wat je moet doen.
Niemand die iets van je verwacht.
Je mag gewoon zijn.
Hier.
Bij het vuur.
Je oogleden worden een beetje zwaar.
Misschien laat je ze even zakken.
Het vuur brandt door.
Je hoort het knetteren.
Je voelt de warmte.
Alles is goed.
ENAls je je ogen weer opent, is het vuur nog steeds daar.
De vlammen zijn misschien iets lager nu, maar ze branden nog steeds gestaag.
De gloed is dieper, roder.
Het is een prachtig gezicht.
Je kunt er uren naar kijken zonder je te vervelen.
Elk moment is anders.
ENEn toch hetzelfde.
De thee op het tafeltje is nog steeds warm.
De theepot houdt hem goed warm.
Je neemt nog een slok.
De smaak is vertrouwd nu.
Geruststellend.
De honing maakt hem zacht en zoet.
Je voelt de warmte weer door je lichaam trekken.
Van boven naar beneden.
Ontspannend en kalmerend.
Buiten is het nu helemaal donker.
Als je naar het raam kijkt, zie je alleen de weerspiegeling van de kamer.
Van het vuur.
De wereld buiten is ver weg.
Hierbinnen is het veilig en warm.
De dikke muren houden alles buiten.
De kou, de wind, de wereld.
Hier is alleen rust.
De wind is iets aangewakkerd.
Je hoort hem nu wat duidelijker, maar het is nog steeds een zacht geluid.
Hij zingt een beetje in de schoorsteen.
Het is een laag, fluisterend geluid.
Het doet je denken aan de zee, aan golven die op het strand rollen.
Het is een geluid dat je meevoert, dat je gedachten laat drijven.
In de haard verschuift weer wat hout.
Een blok rolt een beetje en de vlammen dansen even hoger.
Nieuwe vonken vliegen op.
Je kijkt ernaar, rustig en zonder haast.
De vonken zijn als kleine vallende sterren.
Ze stijgen op en doven uit en verdwijnen in het niets.
Het is mooi en een beetje magisch.
De schaduwen op het plafond bewegen mee.
Je ziet de balken, donker tegen het lichtere plafond.
De schaduwen glijden erover, langzaam en vloeiend.
Het is alsof de kamer ademt, in en uit, in het ritme van het vuur.
Je adem volgt dat ritme, in en uit, rustig en regelmatig.
Je denkt aan niets speciaals.
Gedachten komen en gaan, als de vonken van het vuur.
Ze blijven niet hangen.
Ze drijven voorbij en verdwijnen.
Dat is goed.
Je hoeft niet na te denken.
Je mag gewoon voelen.
De warmte.
De zachtheid van de stoel.
Het geluid van het vuur.
Ergens in de kamer tikt de klok weer.
Je hebt hem een tijdje niet gehoord, maar nu is hij er weer.
Tik-tok, tik-tok.
Het geluid is als een hartslag.
Rustig en betrouwbaar.
Het herinnert je eraan dat de tijd bestaat, maar dat het niet belangrijk is.
Niet hier, niet nu.
De geuren in de kamer zijn rijk en gevarieerd.
De rook van het vuur, een beetje houtig en warm.
De kruidenthee, zacht en zoet.
De gedroogde kruiden aan de balken, lavendel en rozemarijn.
En ergens, heel subtiel, de geur van oud hout en steen.
De geur van een huis dat al lang bestaat, dat vol geschiedenis zit.
Je laat je hoofd achterover zakken tegen de rugleuning van de stoel.
De stoel ondersteunt je perfect, je nek kan ontspannen, je hoofd voelt zwaar maar op een goede manier. Je kijkt naar het plafond, naar de balken, naar de bewegende schaduwen. Dan sluit je je ogen weer. Met je ogen dicht kun je het vuur nog steeds voelen, de warmte op je huid. Je kunt het horen, het knetteren, het zacht sissen.
Je kunt het bijna zien, de vlammen achter je oogleden.
Oranje en geel licht dat danst en beweegt.
Het vuur is er, aanwezig, ook zonder dat je kijkt.
Je lichaam is nu heel zwaar.
Elke spier is ontspannen.
ENJe armen liggen zwaar op de armleuningen.
Je benen zijn zwaar op het kleed.
Zelfs je vingers en tenen voelen zwaar.
Het is alsof je in de stoel zakt, alsof je er deel van wordt.
En dat is precies goed.
Je adem is nu heel rustig.
Zo rustig dat je hem bijna niet meer voelt.
Alleen een zacht in en uit.
Langzaam en diep.
Elke uitademing neemt wat spanning weg.
Elke inademing brengt rust.
Het gaat vanzelf, zonder dat je erover nadenkt.
De warmte van het vuur heeft zich nu helemaal door je lichaam verspreid.
Van je hoofd tot je voeten voel je de zachte, droge warmte.
Het is alsof je van binnen gloeit, net als de blokken hout in de haard.
Een rustige, diepe gloed die je helemaal vult.
Het geluid van de wind buiten is nu bijna als een slaapliedje.
Zacht en eentonig, maar niet vervelend.
Het is een achtergrondgeluid dat de stilte vult.
Het maakt de wereld compleet.
Binnen en buiten.
Warmte en kou.
Licht en donker.
Alles in balans.
Je hoort ergens in de verte een uil roepen.
Het is een zacht, melodieus geluid.
Oehoe, oehoe.
De uil zit waarschijnlijk in de oude eik bij het pad.
Hij is wakker in de nacht.
Maar zijn roep is niet onrustig.
Het is een rustig geluid.
Deel van de nacht.
Deel van de natuur.
In de haard zijn de vlammen nu wat lager.
Het vuur is aan het zakken.
Langzaam en rustig.
De blokken zijn bijna helemaal opgebrand.
Ze gloeien nog.
Een diep rood en oranje.
je.
Het is een prachtige gloed, intens en warm.
Je kunt de hitte ervan voelen, zelfs nu de vlammen kleiner zijn.
De kamer is gevuld met een zachte, gouden gloed.
Niet het felle licht van eerder, maar een zachter, dieper licht.
Het licht van smeulend hout en gloeiende kolen.
Het is een vredig licht, een licht dat uitnodigt tot rust.
Je voelt je helemaal op je gemak, helemaal veilig.
Hier kan niets je raken.
Hier is alleen warmte en rust.
De boerderij houdt je vast, beschermt je.
De dikke muren, het rieten dak, de oude stenen van de haard, alles is sterk en betrouwbaar.
Je gedachten zijn nu heel ver weg.
Ze zijn als de rook uit de schoorsteen die langzaam opstijgt en oplost in de lucht.
Ze zijn er misschien nog, maar ze zijn niet belangrijk.
Ze kunnen gaan.
Jij blijft hier, warm en comfortabel bij het vuur.
De klok tikt door.
Tik, tok, tik.
Het is een geruststellend geluid.
Het zegt dat alles goed is, dat de tijd rustig voorbij gaat.
Geen haast, geen zorgen.
Gewoon het zachte verstrijken van de momenten.
Je voelt hoe je steeds dieper in de stoel zakt, steeds zwaarder wordt.
Het is een heerlijk gevoel.
Het gevoel van volledig loslaten Je hoeft niets vast te houden Niet je spieren, niet je gedachten, niet je zorgen Alles mag los De warmte van het vuur is nu als een deken over je heen Een zachte, warme deken die je helemaal bedekt Je voelt hem op je gezicht, op je handen, op je hele lichaam Het is een liefdevolle warmte Een warmte die voor je zorgt.
In de haard sist het vuur zacht.
Een laatste klein vlammetje danst over een stuk hout.
Dan zakt het weg.
De kolen gloeien nog, diep rood in het donker.
Ze geven nog steeds warmte af.
Genoeg warmte voor de hele nacht.
Het vuur hoeft niet meer te branden om zijn werk te doen.
De schaduwen in de kamer zijn nu bijna stil.
Ze bewegen nog een beetje, heel zacht, maar het is een trage beweging.
Als de beweging van water in een diepe vijver, rustig en hypnotiserend.
Je adem is nu heel, heel rustig.
Bijna onmerkbaar.
In en uit.
Zo langzaam, zo diep.
Elke ademhaling brengt je dieper in de rust.
Elke uitademing neemt meer weg, tot er bijna niets meer is om weg te nemen.
De thee is nu koud geworden, maar dat maakt niet uit.
Je hebt hem niet meer nodig.
De warmte zit in je.
Ze is deel van je geworden.
Je bent helemaal gevuld met warmte en rust.
Buiten is de wind gaan liggen.
Het is nu bijna helemaal stil.
Alleen af en toe een zacht geritsel in de takken van de oude eik.
Een geluid zo zacht dat je het meer voelt dan hoort.
Het is het geluid van de nacht.
Van de slaap.
De uil roept niet meer.
Ook hij is stil geworden.
Misschien zit hij op zijn tak, zijn veren opgebold tegen de kou, zijn ogen half gesloten.
Ook de natuur rust, ook de dieren slapen.
Alles is stil en vredig.
ENIn de haard gloeien de kolen nog na.
Het is nu meer een gloed dan een vuur.
Een diepe rode gloed die langzaam, heel langzaam zwakker wordt.
Maar de warmte blijft.
De warmte blijft de hele nacht.
Ze vult de kamer, vult de boerderij, vult jou.
Je oogleden zijn nu heel zwaar.
Zo zwaar dat je ze nauwelijks open zou kunnen doen, zelfs als je dat zou willen.
Maar je wilt het niet.
Het is fijn zo, met je ogen dicht, in het donker achter je oogleden.
Daar is het rustig en zacht.
Je hoort de klok nog één keer tikken.
Tik, tok, dan niet meer.
Of misschien tikt hij nog wel, maar je hoort het niet meer.
Je bent te ver weg, te diep in de rust.
Het maakt niet uit.
De tijd bestaat niet meer.
Je lichaam is nu één met de stoel.
Je voelt niet meer waar jij ophoudt en de stoel begint.
Je bent gewoon hier.
Aanwezig.
Maar zonder grenzen.
Het is een vreemd en fijn gevoel.
Een gevoel van oplossen.
Van opgaan in de warmte en de rust.
De geur van lavendel is er nog, heel zacht.
Hij zweeft door de kamer, nauwelijks waarneembaar.
Het is een laatste, teder gebaar van de boerderij.
Een laatste, rustgevend teken voordat je helemaal loslaat.
De gloed van de kolen is nu heel zwak, bijna niet meer te zien.
Maar hij is er nog, Een klein rood hart in de as.
Het klopt zacht.
Heel zacht.
Als een laatste hartslag voor de nacht.
Je adem is nu zo rustig dat hij bijna stilstaat.
Maar hij gaat door.
In en uit.
Zo langzaam.
Zo zacht.
Het is het enige wat er nog is.
Adem en warmte.
Warmte en rust De kamer is nu donker Alleen de laatste, zwakke gloed van de kolen geeft nog een beetje licht Het is genoeg Het is precies genoeg om te zien dat alles goed is Dat alles rustig is En dan, heel langzaam, verdwijnt ook die laatste gloed De kamer wordt donker Helemaal donker Maar de warmte blijft De warmte blijft altijd.
Ze houdt je vast, houdt je veilig, de hele nacht door.
Je bent nu helemaal weg.
Helemaal in de rust.
Helemaal in de warmte.
Er is niets meer om naar te kijken, niets meer om te horen.
Alleen het zachte, diepe gevoel van vrede De boerderij staat stil in de winternacht De sneeuw ligt dik op het dak De oude eik waakt bij het pad Binnen bij de haard rust jij Veilig en warm Helemaal ontspannen helemaal in vrede en zo blijf je de hele nacht rustend bij de haard die niet meer brandt maar nog steeds warmte geeft in de oude boerderij die al zoveel nachten heeft gezien zoveel mensen heeft verwelkomd je bent er nu deel van deel van de rust deel van de warmte de nacht is lang en zacht er is geen haast er is alle tijd tijd om te rusten om te herstellen om helemaal los te laten de boerderij Hij zorgt voor je.
Het vuur heeft zijn werk gedaan.
Nu is het tijd voor slaap.
En in die slaap, in die diepe rust, ben je veilig.
Helemaal veilig.
Helemaal thuis.
Bij de open haard, in de winternacht, omringd door warmte en vrede, hier mag je zijn, hier mag je rusten, hier mag je slapen, zo lang als je wilt.
De wereld buiten bestaat niet meer.
Er is alleen deze kamer, deze warmte, deze rust.
En jij.
Helemaal ontspannen.
Helemaal vredig.
Helemaal op je plek.
Dit is waar je hoort.
Dit is waar je mag zijn.
Hier altijd, slaap zacht.
Rust goed.
De boerderij waakt over je.
Het vuur heeft je verwarmd.
De nacht houdt je vast.
Alles is goed.
ENAlles is zoals het moet zijn.
Slaap nu.
Rust nu.
Laat alles los en drijf weg naar de diepe, zachte slaap.
De winteravond omhult de boerderij als een zachte mantel.
Binnen is het stil.
De kolen in de haard zijn nu koud, maar de warmte blijft hangen in de dikke muren, in de stenen vloer, in de lucht zelf.
Het is een warmte die de hele nacht blijft, die je door de donkerste uren heen draagt en jij slaapt, diep en rustig, zonder dromen of gedachten, gewoon slaap, zuivere, diepe slaap, de beste slaap die er is, de slaap van iemand die helemaal veilig is, helemaal op zijn plek, Helemaal thuis.
Welterusten.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze