

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Er is een man. Hij heeft een huis. Hij heeft een vrouw en een kind.
Ze wonen in een straat. De straat is niet groot en niet klein.
Het is een goed straat. De man houdt van wandelen. Hij gaat vaak wandelen.
Hij wandelt in de straat. Hij wandelt in de sneeuw. Hij vind het leuk.
Op een dag vindt de man een kopje. Het kopje is rood. Het is een klein kopje.
De man neemt het kopje mee naar huis. Hij zet het kopje in het huis.
De volgende dag gaat de man weer wandelen. Hij vindt nog een roodkopje.
Hij neemt het mee naar huis. Hij heeft nu twee roodekopjes. Hij is blij.
Elke dag gaat de man wandelen. Elke dag vindt hij een roodkopje.
Hij neemt alle kopjes mee naar huis. Hij heeft nu veel roodekopjes.
Hij heeft veertien roodekopjes. De man en zijn vrouw en kind praten over de kopjes.
Ze denken dat de kopjes van een zorginstelling komen.
Ze willen naar de zorginstelling gaan. Maar de man wil wachten.
Hij vindt de kopjes leuk. De man en zijn vrouw en kind maken een wedenschap.
Ze denken hoeveel kopjes de man gaat vinden.
Ze denken dat hij 16, 18 of 20 kopjes gaat vinden.
De man blijft wandelen. Hij blijft rode kopjes vinden.
Hij is blij. Hij wacht tot hij 20 kopjes vindt.
Dan gaat hij naar de zorginstelling. Tot die tijd zijn er geen nieuwe dingen.
De man wandelt. Hij vindt rode kopjes. Hij is blij.
En zijn vrouw en kind wachten.
Ze wachten op de 20ste kopje.
Ze hebben plezier. Ze zijn een gelukkig gezin.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze