

0:00
0:001:55
Er is een man. Hij heeft een huis. Hij heeft een vrouw en een kind.
There is a man. He has a house. He has a wife and a child.
Ze wonen in een straat. De straat is niet groot en niet klein.
Het is een goed straat. De man houdt van wandelen. Hij gaat vaak wandelen.
Hij wandelt in de straat. Hij wandelt in de sneeuw. Hij vind het leuk.
Op een dag vindt de man een kopje. Het kopje is rood. Het is een klein kopje.