

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Dat de groene pannekoek. Dit is Jan. Jan woont in Amsterdam. Jan houdt van pannekoeken.
Pannekoeken zijn lekker. Vandaag maakt Jan pannekoeken. Hij is in de keuken. De keuken is groot.
Jan heeft melk. Jan heeft eieren. Jan heeft ook spinatie. Spinatie is groen. Jan denkt.
Groene pannekoeken zijn goed. Jan pakt de blender. De blender is groot. Hij doet de melk in de blender.
Hij doet de spinatie in de blender. De spinatie is groen. De melk is wit. Nu is de melk ook groen. Jan
kijkt naar de groene melk. Zeg Jan. Jan is niet zeker. Maar Jan gaat verder. Jan doet het ei in de kom.
Hij doet de groene melk in de kom. Hij doet de mix in de kom. Jan roert. Hij roert goed.
Nu is het beslag groen. Heel groen. Erg. Groen. Jan pakt de pan. De pan is heet. Hij doet
boter in de pan. De boter smelt. Jan doet het groene beslag in de pan. De pannekoek is groen.
Heel groen. Jan kijkt naar de pannekoek. De pannekoek is groen. Dit is raar. Maar Jan gaat verder.
De pannekoek wordt bruin. Maar ook een beetje zwart. Jan kijkt. Oh nee zegt Jan. De groene pannekoek
wordt snel zwart. Jan draait de pannekoek om. De pannekoek is klaar. Jan kijkt naar de pannekoek.
De pannekoek is groen en bruin. Dit ziet er raar uit. Jan eet de pannekoek. Hij eet langzaam.
De smaak is anders. Niet slecht. Maar anders. Jan denkt. Dit is wennen. Jan maakt een foto.
De foto is groen. De pannekoek is groen. Jan lacht. Hij stuurt de foto naar zijn vriend.
Zijn vriend heet Piet. Piet kijkt naar de foto. Wat is dit? Zegt Piet. Dit is een pannekoek.
Zegt Jan. Piet lacht ook. De groene pannekoek is raar. Maar ook grappig. En een beetje lekker. Jan
maakt morgen weer pannekoeken. Maar misschien zonder spinatie. Nieuwe worden. De spinatie. De blender. Het
beslag om draaien. Raar.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze