

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
De fiets van Jan heeft een fiets. De fiets is oranje. Jan houdt van zijn fiets. Elke dag gaat Jan op de fiets.
Hij gaat naar zijn werk. Het werk is ver, maar Jan fiets draaag. Het is ochtend. Jan staat op. Hij drinkt koffie.
De koffie is warm en goed. Jan eten een boterham. De boterham is lekker.
Nu gaat Jan naar buiten. Hij pakt zijn fiets. De fiets staat bij het huis. Jan fiets door de straat.
De straat is druk. Er zijn veel fietsen. Jan ziet een vrouw op een fiets. Hij ziet een man op een fiets.
Hij ziet een kind op een fiets. Iedereen fietst in Nederland. Jan stopt bij een rood licht. Hij wacht.
Een man naast hem zegt. Goedemorgen. Jan zegt. Goedemorgen. De man heeft een grote fiets. Jan heeft ook een grote fiets.
Zij lachen samen. Het licht is groen. Jan fietst weer. Het regent een beetje. Jan heeft een regenjas. De regenjas is geel. Jan is niet nat. Hij is blij. Jan komt bij zijn werk.
Hij zet zijn fietsneer. Er zijn veel fietsen bij het werk. Jan telt de fietsen. 1, 2, 3, 20?
Fietsen. Iedereen fiets naar het werk. Een collega zegt. Hey Jan, jij fietst altijd. Jan lacht. Ja, zegt Jan.
Ik hou van fietsen. De fietsen is goed. De auto is slecht. De collega knikt. Ja, de fietsen stiep is Nederland. Na het werk fietst Jan naar huis. Hij is moe.
Maar hij is ook blij. Fietsen is goed voor Jan. Fietsen is gezond. Tuis eten. Jan. Hij eten aardappelen. Hij eten groente. Hij drinkt water. Het eten is lekker. Jan kijkt.
Naar zijn oranje fiets. De fiets staat bij het huis. Jan zegt. Tot morgen fiets. De fiets zegt niets. Maar Jan lacht. Hij is een echte Nederlander. Een Nederlander met een oranje fiets.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze