

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben Rick, een Nederlandse leraar uit Den Haag.
Op woensdag fiets ik naar voetbalclub De Duinen.
De lucht is grijs, maar het regent niet.
Mijn fiets piept een beetje bij elke bocht.
Ik ruik nat gras en warme koffie.
Bij het hek staan Noor en Bram.
Zij hebben hun sporttas op de grond.
Hun gezichten zijn stil.
Normaal praten zij veel over ballen en huiswerk.
Vandaag zegt niemand veel.
Een gele bal ligt bij mijn voet.
Hij rolt langzaam tegen mijn schoen.
'Zelfs de bal weet niet wat hij moet doen,' zeg ik.
Bram kijkt naar de bal en lacht heel zacht.
Dan komt Mara uit het kleine clubhuis.
Zij draagt een blauwe jas en houdt haar handen samen.
'Kom even binnen,' zegt zij.
'We moeten iets moeilijks vertellen.' Binnen is het warm.
De ramen zijn een beetje nat.
Op de tafel staan plastic bekers.
Er is ook een bord met koekjes.
Niemand pakt een koekje.
Dat gebeurt bijna nooit bij deze club.
Mara kijkt naar de kinderen en naar mij.
'Kees is vanmorgen thuis gevonden,' zegt zij zacht.
'Hij leeft niet meer.' Het blijft lang stil in de kamer.
Buiten hoor ik een kraai op het dak.
Noor pakt de band van haar tas heel hard vast.
Bram kijkt naar zijn schoenen.
Ik voel pijn in mijn buik.
Kees helpt hier elke week met de kinderen.
Hij zet de oranje dopjes op het veld.
Hij pompt ballen op als ze zacht zijn.
Hij maakt altijd thee voor ouders.
Ook vraagt hij naar huiswerk en katten.
Hij kent zelfs de naam van mijn oude kat.
Mijn kat heet Prins, maar hij doet niets koninklijks.
Kees zei vaak: 'Prins is de baas, jij betaalt de huur.' De kinderen vonden dat altijd grappig.
Nu denkt iedereen aan Kees.
Mara zegt: 'Vandaag spelen we rustig, of niet.
Wie wil praten, mag praten.' Noor steekt haar hand op.
'Mag ik een kaart maken voor zijn familie?' 'Ja,' zeg ik.
'Dat is een mooi idee.' Mara haalt papier uit een kast.
Het papier is rood, groen en wit.
De kleuren passen bij de club.
Noor schrijft langzaam met een zwarte pen.
Bram tekent een bal met twee grote ogen.
'Waarom heeft die bal ogen?' vraag ik.
'Dan kan hij Kees zoeken,' zegt Bram.
Zijn stem is klein.
Ik knik, want ik weet niets beters.
Soms zijn simpele woorden genoeg.
Buiten gaan een paar kinderen naar het veld.
Zij lopen langzaam door het natte gras.
Ik ga mee, want ik wil dichtbij blijven.
De wind voelt koud op mijn wangen.
Een meeuw roept hard boven het dak.
Den Haag heeft altijd meeuwen met een mening.
De kinderen leggen bloemen bij het hek.
Iemand zet een kaars in een glazen pot.
De kaars brandt klein, maar hij blijft aan.
'Rick,' zegt Noor, 'mag ik boos zijn?' 'Ja,' zeg ik.
'Boos en verdrietig mag allebei.' 'Ik snap het niet,' zegt zij.
'Ik ook niet helemaal,' zeg ik eerlijk.
'Maar we kunnen samen hier zijn.' Bram schopt de gele bal heel zacht.
De bal rolt naar de bloemen.
'Sorry,' zegt Bram meteen.
'Geen probleem,' zeg ik.
'Kees zei vaak: een bal wil altijd spelen.' Een paar kinderen lachen zacht.
Daarna is het weer rustig.
Later drinken we thee in het clubhuis.
De thee ruikt naar munt.
De koekjes gaan nu wel rond.
Bram neemt er twee.
'Eén voor mij en één voor de bal,' zegt hij.
Noor zegt: 'Ballen eten geen koekjes.' 'Dan heb ik geluk,' zegt Bram.
Iedereen kijkt even minder zwaar.
Mara leest de kaart voor.
De woorden zijn simpel.
'Lieve familie, wij denken aan Kees.
Hij was goed voor ons.
Wij wensen jullie veel kracht.' Ik hoor mijn eigen adem langzaam worden.
Aan het einde loop ik naar mijn fiets.
De lucht is nog grijs.
Toch zie ik een klein stuk blauw.
Ik denk aan Kees en aan de kinderen.
Verdriet is groot, maar mensen kunnen dichtbij zijn.
Dat helpt een beetje.
Ik fiets naar huis door de natte straat.
Mijn fiets piept weer bij elke bocht.
Vandaag klinkt dat piepen minder dom.
Het klinkt als een klein lied.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze