Alle podcasts

Piet en de Trein

Dit is Piet.

Piet werkt in een trein.

De trein is groot en blauw.

Piet heeft een pet op.

De pet is zwart.

Piet is blij.

Hij houdt van zijn werk.

De trein rijdt door Rotterdam.

Rotterdam is een grote stad.

De zon schijnt.

Het is een mooie dag.

Piet loopt door de trein.

Hij hoort de trein.

De trein maakt een geluid: tsjoek, tsjoek.

Hij kijkt naar de mensen.

Er zijn veel mensen in de trein.

Een man zit bij het raam.

De man kijkt naar buiten.

Een vrouw leest een boek.

Het boek is rood.

Een kind eet een boterham.

De boterham ruikt lekker.

Het ruikt naar brood en kaas.

Piet glimlacht.

Hij vindt de geur fijn.

Dan ziet Piet iets.

Er is een man.

De man is boos.

De man schreeuwt hard.

Piet hoort de man.

Het geluid is luid.

Piet loopt naar de man.

Piet zegt: 'Hallo, ik ben Piet.' De man kijkt naar Piet.

De man is heel erg boos.

Zijn ogen zijn groot.

Zijn handen zijn in vuisten.

Piet zegt: 'Rustig, meneer.' De man schreeuwt weer.

De man duwt Piet.

Piet valt.

Piet valt hard.

Hij voelt de duw.

Piet valt uit de trein.

Dit is heel erg.

Piet ligt op de grond.

De grond is koud en hard.

Hij hoort de trein wegrijden.

Het geluid wordt klein.

Een vrouw ziet Piet.

Zij belt 112.

Dat is het nummer voor hulp.

Een witte auto komt snel.

De auto heeft een lamp.

De lamp is rood en blauw.

De auto stopt bij Piet.

Twee mensen stappen uit.

Zij hebben witte jassen aan.

Zij helpen Piet.

Zij tillen Piet op.

Piet doet zijn ogen dicht.

Piet is moe.

Hij ruikt de schone jassen.

De witte auto rijdt snel.

De auto rijdt naar het grote gebouw.

Het grote gebouw is het ziekenhuis.

In het ziekenhuis is het warm.

Het ruikt schoon.

Het ruikt naar zeep.

Een dokter komt naar Piet.

De dokter heeft een witte jas.

De dokter kijkt naar Piet.

De dokter zegt: 'Piet, ik help jou.' Piet zegt: 'Dank je.' Piet is blij met de dokter.

De dokter geeft Piet water.

Het water is koud.

Piets vrouw heet Sara.

Sara hoort het nieuws.

Sara komt naar het ziekenhuis.

Sara ziet Piet.

Sara pakt Piets hand.

De hand van Sara is warm.

Piet kijkt naar Sara.

Piet glimlacht een beetje.

Sara zegt: 'Piet, ik ben hier.' Piet zegt: 'Ik zie jou, Sara.' Sara zit naast Piet.

Zij drinken samen thee.

De thee is warm en zoet.

De thee ruikt lekker.

Een vriend van Piet heet Bas.

Bas werkt ook in een trein.

Bas hoort het nieuws.

Bas komt ook naar het ziekenhuis.

Bas heeft bloemen.

De bloemen zijn geel.

Gele bloemen zijn mooi.

De bloemen ruiken fris.

Bas zegt: 'Piet, dit zijn voor jou.' Piet kijkt naar de bloemen.

Piet zegt: 'Dank je, Bas.' Bas zit ook bij Piet.

Nu zijn Sara en Bas bij Piet.

Piet is niet alleen.

Piet heeft pijn.

Maar Piet is blij.

Hij heeft goede mensen om hem heen.

De dokter zorgt goed voor Piet.

Piet rust in het ziekenhuis.

Het bed is zacht.

Het kussen is wit.

Piet denkt: 'Vandaag was een rare dag.

Eerst was ik blij in de trein.

Toen viel ik.

Nu ben ik hier.

Maar Sara en Bas zijn bij mij.

Dat is fijn.

Morgen is een nieuwe dag.' Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze