

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben op het werk. Ik heb veel collega's.
Ik ken niet alle collega's.
Mijn werk is op veel plaatsen.
Ik heb een telefoon. Ik krijg berichten.
Ik krijg een bericht van een nummer.
Het nummer ken ik niet.
Het bericht heeft een link.
Ik open de link niet.
Ik vertrouw de link niet.
Ik denk.
Dit is een oplichter.
Ik schrijf een bericht.
Ik schrijf.
Ik heb je door.
Oplichter.
Ik stuur het bericht.
Ik blocker het nummer.
Maar het nummer is geen oplichter.
Het nummer is een collega.
De collega is op het werk.
De collega ziet het bericht.
De collega leest.
Ik heb je door.
Oplichter.
Bij.
De collega is verbast.
De collega is verrast.
Ik heb een fout gemaakt.
Ik heb een collega ge blockeerd.
Ik heb een collega een oplichter genoemd.
Ik voel me slecht.
Ik voel me warm.
Ik schame.
Ik ga niet meer naar dat werk.
Ik werk nu erg eens anders.
Ik lach er nu om.
Ik vind het grappig.
Ik vind het nog steeds een beetje genant.
Maar ik leer ervan.
Ik controleer nu beter.
Ik blocker niet zomaar.
Ik vraag eerst.
Ik vraag wie ben jij.
Nu ken ik alle collega's op mijn nieuwe werk.
Ik heb alle nummers op geslagen.
Ik krijg geen berichten van onbekende nummers meer.
Ik ben blij.
Ik ben voorzichtig.
Ik ben geen oplichter.
Ik ben een goede collega.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze