Alle podcasts

Alleen op een eiland: Robinson Crusoe

Stel je dit voor.

Je staat op het dek van een schip.

De wind is hard.

De golven zijn hoog, veel te hoog.

Het schip beweegt gevaarlijk van links naar rechts.

Je hoort mensen schreeuwen.

Dan, opeens, een enorme klap.

Het schip raakt iets, misschien een rots onder het water.

Het water stroomt naar binnen.

Mensen springen overboord.

Jij ook.

Je zwemt zo hard als je kunt.

Het water is koud en donker.

En dan, na wat voelt als een eeuwigheid, voel je zand onder je voeten.

Je ligt op een strand.

Je bent alleen.

Achter je is de zee.

Voor je is een onbekend eiland.

En er is niemand, helemaal niemand, die weet dat jij hier bent.

Welkom bij Boekisodes.

Ik ben Rick van Dutch Fluency, en vandaag vertel ik je het verhaal van Robinson Crusoe, geschreven door de Engelse schrijver Daniel Defoe.

Het boek verscheen voor het eerst in het jaar zeventienhonderd negentien, en het is sindsdien een van de meest gelezen boeken ter wereld geworden.

Het is een verhaal over overleven.

Over eenzaamheid.

Over wat een mens kan doen als hij echt alleen is.

En het is, eerlijk gezegd, ook een verhaal dat je aan het denken zet.

Want wat zou jij doen?

Echt, wat zou jij doen als jij die persoon was op dat strand?

Laten we beginnen met de wereld van dit boek en met de mensen erin.

Het verhaal speelt zich af in de tweede helft van de zeventiende eeuw.

Dat is een tijd lang geleden, meer dan driehonderd jaar.

In die tijd waren er geen vliegtuigen, geen radio, geen internet.

Als je op een schip stapte en naar een ander land reisde, was dat een groot avontuur.

En een groot risico.

Schepen zonken regelmatig.

Stormen waren gevaarlijk.

En als je ergens ver weg in de problemen kwam, kon niemand je snel helpen.

De hoofdpersoon van ons verhaal heet Robinson Crusoe.

Hij is een jonge Engelse man.

Hij komt uit een gewone familie in de stad York, in het noorden van Engeland.

Zijn vader is een rustige, verstandige man.

Hij zegt tegen Robinson: blijf thuis, zoek een goede baan, leef een rustig leven.

Maar Robinson wil dat niet.

Hij wil de wereld zien.

Hij wil avontuur.

Hij is nieuwsgierig en een beetje ongeduldig.

Hij luistert niet naar zijn vader.

En dat is precies het begin van al zijn problemen.

Robinson gaat naar zee.

Hij maakt een paar reizen, en sommige gaan goed.

Maar hij leert niet van zijn fouten.

Hij blijft risico's nemen.

En dan, op een reis naar Afrika, gaat het echt mis.

Er is een vreselijke storm.

Het schip zinkt.

En Robinson, zoals je al hoorde, spoelt aan op een eiland.

Het eiland ligt ergens voor de kust van Zuid-Amerika.

Het is niet klein, maar het is ook niet groot.

Er zijn bomen, dieren, fruit, en een rivier met zoet water.

Maar er zijn geen mensen.

Helemaal geen mensen.

Robinson is de enige mens op het hele eiland.

En nu begint het echte verhaal.

De eerste dagen op het eiland zijn vreselijk.

Robinson is bang, moe, en verdrietig.

Hij denkt aan zijn familie.

Hij denkt aan zijn vrienden die verdronken zijn.

Hij heeft bijna niets bij zich.

Alleen de kleren die hij draagt.

En de vraag die steeds terugkomt: hoe lang moet ik hier blijven?

Komt er ooit een schip?

Maar Robinson is niet iemand die lang bij de pakken neerzit.

Dat betekent: hij blijft niet lang zitten met zijn handen in zijn schoot.

Hij begint te handelen.

Het eerste wat hij doet, is terugzwemmen naar het gezonken schip.

Het schip ligt niet ver van het strand, net onder het water.

En daar vindt hij iets heel waardevols: gereedschap.

Hamers, spijkers, messen, touw, zeildoek.

En ook: voedsel.

Biscuits, rijst, gedroogd vlees.

Hij maakt een vlot van planken en hout, en hij brengt alles naar het strand.

Dit is een van de eerste grote lessen van het boek: gebruik wat je hebt.

Kijk niet naar wat je niet hebt.

Kijk naar wat er wel is.

Robinson bouwt een hut.

Hij maakt een omheining van houten palen rondom zijn hut, zodat wilde dieren er niet in kunnen.

Hij maakt een kalender door elke dag een streepje te snijden in een houten paal.

Zo verliest hij het gevoel voor tijd niet.

Hij weet altijd welke dag het is, welke week, welke maand.

Hij schrijft ook een dagboek.

In dat dagboek schrijft hij alles op wat hij meemaakt.

En hij schrijft ook wat hij voelt.

Want Robinson is niet alleen een overlever, hij is ook een mens met gevoelens.

Hij schrijft: "Ik ben hier alleen, en soms is dat ondraaglijk.

Maar ik leef.

En zolang ik leef, is er hoop." Dat dagboek is een groot deel van het boek.

We lezen mee met Robinson.

We zien hoe hij denkt, hoe hij groeit, hoe hij verandert.

De jaren gaan voorbij.

Ja, jaren.

Robinson is niet een paar weken op het eiland.

Hij is er veel langer.

Uiteindelijk is hij er achtentwintig jaar.

Bijna drie decennia.

Dat is bijna een heel mensenleven op een leeg eiland.

In die jaren leert Robinson ongelooflijk veel.

Hij leert hoe hij graan kan verbouwen.

Hij vindt een paar graankorrels in een zak die hij van het schip haalde.

Hij plant ze.

Na een paar seizoenen heeft hij een heel veld.

Hij bakt zijn eigen brood.

Stel je dat voor: hij bakt zijn eigen brood op een verlaten eiland, zonder winkel, zonder oven, zonder recept.

Hij leert ook hoe hij geiten kan vangen en temmen.

Een getemde geit is een geit die niet meer wild is, een geit die je kunt houden als een huisdier.

Hij heeft een kleine kudde geiten.

Ze geven hem melk.

Hij maakt kaas.

Hij heeft vlees.

Hij maakt kleren van geitenleer.

Hij bouwt een tweede huis, een soort zomerverblijf aan de andere kant van het eiland.

Hij maakt potten van klei.

De eerste keren gaan ze kapot in het vuur, maar hij leert het.

Hij probeert, hij faalt, hij probeert opnieuw.

Er is ook een papegaai.

Robinson vangt een papegaai en leert hem praten.

De papegaai leert zijn naam zeggen: "Robinson!

Robinson!" Het is een klein moment in het boek, maar het raakt je.

Want die papegaai is de enige die zijn naam zegt.

De enige stem op het eiland die hem bij zijn naam noemt.

Na vele jaren, op een dag die Robinson nooit zal vergeten, ziet hij iets op het strand.

Een voetafdruk. Één voetafdruk in het zand.

Een grote voetafdruk, van een mens.

Maar niet van hemzelf.

Robinson is doodsbang.

Hij rent terug naar zijn hut.

Hij sluit alles af.

Hij slaapt niet.

Hij denkt: wie is dat?

Zijn het kannibalen?

Dat zijn mensen die andere mensen opeten.

In die tijd geloofden veel Europeanen dat er op verre eilanden zulke mensen leefden.

Robinson heeft dit echt gelezen in boeken voor zijn reis.

Dagen gaan voorbij.

Weken.

Er gebeurt niets.

Maar Robinson is nu anders.

Hij is voorzichtiger.

Hij kijkt altijd om zich heen.

Hij bouwt meer verdedigingswerken rondom zijn hut.

En dan, jaren later, ziet hij ze.

Een groep mensen op het strand.

Ze komen met kano's, kleine boten.

Ze hebben gevangenen bij zich.

En Robinson begrijpt: dit zijn inderdaad kannibalen.

Ze komen naar het eiland voor een ritueel, een soort ceremonie waarbij ze hun gevangenen doden.

Robinson kijkt van ver.

Hij is bang.

Maar hij is ook woedend.

Hij wil helpen.

Maar hij is maar één man.

Dan, op een dag, gebeurt er iets. Één gevangene ontsnapt.

De man rent.

Twee mannen rennen achter hem aan.

Robinson besluit te handelen.

Hij pakt zijn geweer.

Hij schiet de twee achtervolgers neer.

De gevangene staat stil.

Hij kijkt naar Robinson.

Hij is bang, maar ook dankbaar.

Robinson geeft hem een naam.

Hij noemt hem Vrijdag, omdat het een vrijdag is wanneer ze elkaar ontmoeten.

Vrijdag wordt zijn trouwe vriend, zijn metgezel, zijn helper.

Vrijdag leert snel Engels.

Robinson leert hem zijn taal, zijn gewoontes, zijn manier van leven.

En Vrijdag leert Robinson ook dingen: over het eiland, over de natuur, over de mensen in de omgeving.

Samen zijn ze sterker.

Ze verdedigen het eiland.

Ze redden later ook Vrijdags vader en een Spaanse man die ook gevangen waren.

Het kleine eiland heeft nu vier bewoners.

Maar Robinson droomt nog steeds van thuis.

Van Engeland.

Van zijn familie.

En dan, op een dag, ziet hij een Engels schip op zee.

Er is iets mis met dat schip.

Er is een muiterij op het schip.

Dat betekent dat een deel van de bemanning in opstand is gekomen tegen de kapitein.

De kapitein en twee trouwe mannen zijn op het eiland achtergelaten door de muiters.

Robinson helpt de kapitein.

Samen maken ze een plan.

Ze heroveren het schip.

Het is gevaarlijk, maar het lukt.

En dan, eindelijk, na achtentwintig jaar, twee maanden en negentien dagen op het eiland, stapt Robinson Crusoe op een schip.

Hij gaat naar huis.

Hij neemt Vrijdag mee.

En hij neemt zijn dagboek mee.

En hij neemt zijn herinneringen mee, al die jaren, al die lessen, al die eenzame nachten en alle kleine overwinningen.

Terug in Engeland is alles anders.

Zijn vader is dood.

Zijn moeder is dood.

Maar hij heeft nog wat familieleden.

En hij ontdekt dat zijn plantages in Brazilië, want hij had vroeger ook een boerderij in Brazilië, veel geld hebben opgebracht.

Robinson is nu een rijke man.

Hij trouwt.

Hij heeft kinderen.

Hij leeft een rustig leven.

Maar hij reist nog een keer, want de zee laat hem nooit helemaal los.

En Vrijdag gaat met hem mee.

Tot het einde.

Nu wil ik even stilstaan bij wat dit boek eigenlijk zegt.

Want Robinson Crusoe is meer dan alleen een spannend avonturenverhaal.

Het is een boek met diepere lagen, als je er goed naar kijkt.

Het eerste grote thema is overleven.

Hoe overleef je als je niets hebt?

Robinson laat zien dat overleven niet alleen gaat over kracht of geluk.

Het gaat over creativiteit.

Over geduld.

Over het vermogen om te leren van je fouten.

Hij probeert dingen, ze mislukken, hij probeert opnieuw.

Dat is een les voor iedereen, ook buiten een verlaten eiland.

Het tweede thema is eenzaamheid.

Robinson is jaren alleen.

Dat is een lange tijd.

Hij schrijft in zijn dagboek over zijn gevoelens.

Hij praat met zijn papegaai.

Hij praat met zichzelf.

En hij bidt.

Want Robinson wordt in die jaren ook gelovig.

Hij leest in een bijbel die hij van het schip haalde.

Hij vindt troost in geloof.

Of je zelf gelovig bent of niet, het is interessant om te zien hoe mensen in moeilijke tijden zoeken naar iets om op te leunen.

Het derde thema is de relatie tussen Robinson en Vrijdag.

En hier wordt het boek ook een beetje ingewikkeld.

Want Robinson behandelt Vrijdag goed, maar ook als iemand die minder is dan hij.

Hij geeft hem een Engelse naam.

Hij leert hem Engelse gewoontes.

Hij ziet de cultuur van Vrijdag als minder waard dan zijn eigen cultuur.

Dat was normaal in die tijd, maar wij kijken daar nu anders naar.

Dit boek is geschreven in een tijd van kolonialisme.

Dat is de periode waarin Europese landen andere landen en volken controleerden en uitbuitten.

Als je Robinson Crusoe leest, zie je die tijd terug in het verhaal.

Het vierde thema is de kracht van werk.

Robinson zit nooit stil.

Hij werkt altijd.

Hij bouwt, plant, maakt, repareert.

Werk geeft hem structuur.

Werk geeft hem hoop.

Werk houdt hem mentaal gezond.

Er is iets moois in dat idee: dat je door te doen, door te maken, door te bouwen, jezelf overeind kunt houden.

Daniel Defoe schreef dit boek in het jaar zeventienhonderd negentien.

Hij was zelf een avonturier op zijn manier: een schrijver, een zakenman, een journalist.

Hij baseerde het verhaal op echte verhalen van zeelieden die op eilanden hadden geleefd.

Er was een echte man, een Schotse zeeman genaamd Alexander Selkirk, die vier jaar alleen op een eiland had geleefd.

Defoe hoorde zijn verhaal en maakte er een roman van.

Een roman is een verzonnen verhaal in boekvorm.

Het boek was meteen een groot succes.

Mensen vonden het geweldig.

Ze herkenden iets in Robinson.

Die wens om avontuur te beleven.

Die angst om alleen te zijn.

Die bewondering voor iemand die niet opgeeft.

En nu, meer dan driehonderd jaar later, lezen mensen het nog steeds.

Want de vragen die het stelt, zijn tijdloos.

Wat doe je als je alleen bent?

Wat heb je echt nodig om te leven?

Hoe bouw je iets op uit niets?

Dat zijn vragen voor alle tijden.

Hoe eindigt het verhaal dan precies?

Robinson keert terug naar Engeland, zoals ik al vertelde.

Hij is oud geworden, maar hij is ook wijzer geworden.

Hij heeft dingen meegemaakt die de meeste mensen nooit zullen meemaken.

Hij heeft honger gekend, angst gekend, eenzaamheid gekend.

Maar hij heeft ook vreugde gekend.

De vreugde van een goed gebakken brood.

De vreugde van een vriendschap, die met Vrijdag.

De vreugde van een zonsopgang op een eiland waar jij de enige mens bent.

Aan het einde van het boek schrijft Robinson dat hij dankbaar is.

Niet voor het schipbreuk, niet voor de jaren alleen.

Maar voor wat hij heeft geleerd.

Hij schrijft: "Ik heb geleerd dat een mens meer kan dan hij denkt.

En ik heb geleerd dat hoop het laatste is wat je moet loslaten." Dat is misschien wel de mooiste les van dit boek.

Hoop loslaten is het gevaarlijkste wat je kunt doen.

Zolang je hoopt, zolang je blijft proberen, zolang je elke dag een nieuw streepje zet op die houten paal, ben je nog niet verloren.

Waarom zou jij dit boek, of deze samenvatting, de moeite waard vinden?

Omdat het een verhaal is dat je meeneemt.

Je voelt de hitte van het eiland.

Je voelt de eenzaamheid.

Je voelt de kleine overwinningen.

En je denkt: ik hoop dat ik ook zo sterk zou zijn.

Of misschien: ik weet niet of ik zo sterk zou zijn.

En dat is een eerlijke gedachte.

Robinson Crusoe is niet perfect.

Hij maakt fouten.

Hij is soms arrogant.

Hij luistert niet altijd naar anderen.

Maar hij geeft nooit op.

En dat maakt hem menselijk.

Dat maakt hem iemand van wie je kunt leren.

Dit was Boekisodes, de dagelijkse podcast van Dutch Fluency.

Ik hoop dat je genoten hebt van het verhaal van Robinson Crusoe.

De volledige transcript van deze aflevering vind je op dutchfluency.com slash transcripts, zodat je alles nog een keer rustig kunt lezen.

Als je vragen hebt over woorden die je niet begreep, of als je meer wilt weten over het boek zelf, dan kun je ook een berichtje sturen via onze website.

We horen graag van je.

Maar voordat we echt afsluiten, wil ik nog even stilstaan bij iets.

Iets wat ik persoonlijk heel mooi vind aan dit verhaal.

Robinson Crusoe leeft meer dan twintig jaar op dat eiland.

Meer dan twintig jaar.

Dat is langer dan veel mensen studeren, werken, of ergens wonen.

En in die tijd verandert hij.

Niet een beetje.

Hij verandert heel veel.

De jonge man die het eiland op spoelt, is niet dezelfde man die het eiland verlaat.

En dat is misschien wel het echte verhaal.

Niet het eiland.

Niet de schipbreuk.

Niet de piraten of de kannibalen.

Maar de verandering van een mens.

Aan het begin van het boek is Robinson iemand die altijd meer wil.

Hij wil avontuur.

Hij wil rijkdom.

Hij wil niet luisteren naar zijn vader, die zegt: blijf thuis, wees tevreden met wat je hebt.

Maar Robinson luistert niet.

Hij gaat de zee op.

En de zee straft hem daarvoor.

Keer op keer gaat het mis.

Keer op keer overleeft hij ternauwernood.

En dan, op dat eiland, heeft hij eindelijk de tijd om na te denken.

Er is niemand anders.

Er is geen lawaai.

Er is geen afleiding.

Er is alleen hijzelf, de natuur, en zijn gedachten.

En in die stilte leert hij wie hij echt is.

Dat is iets wat wij in ons dagelijks leven bijna nooit hebben.

Stilte.

Echte stilte.

We hebben altijd onze telefoon.

We hebben altijd muziek, of een podcast, of de televisie op de achtergrond.

We zijn altijd bezig.

Maar Robinson heeft niets van dat alles.

En misschien is dat juist waarom hij zo verandert.

Omdat hij niet kan vluchten voor zichzelf.

Ik denk dat dat een van de redenen is waarom dit boek, na meer dan driehonderd jaar, nog steeds gelezen wordt.

Niet omdat het een spannend avonturenverhaal is, hoewel dat ook zo is.

Maar omdat het iets raakt wat heel menselijk is.

De vraag: wie ben ik als ik alleen ben?

Wie ben ik als er niemand kijkt?

Wie ben ik als ik alles verlies?

En het antwoord van Robinson is: ik ben iemand die doorgaat.

Iemand die leert.

Iemand die hoopt.

Nu wil ik jou ook iets vragen.

Jij luistert naar deze podcast omdat je Nederlands leert.

Dat is ook een soort eiland, op zijn eigen manier.

Je bent ergens begonnen, misschien zonder dat je precies wist waarom.

Misschien omdat je in Nederland woont, of omdat je Nederlandse vrienden hebt, of gewoon omdat je de taal mooi vindt.

En nu ben je bezig met iets wat soms moeilijk is.

Soms begrijp je een zin niet.

Soms klinkt alles te snel.

Soms denk je: waarom doe ik dit eigenlijk?

Maar je gaat door.

Net als Robinson.

Je zet elke dag een streepje.

Elke nieuwe aflevering die je luistert, elke nieuwe zin die je begrijpt, elke keer dat je denkt: oh, dat woord ken ik nu, dat is een overwinning.

Klein, maar echt.

Taal leren is geduld hebben.

Het is vertrouwen dat het ooit beter wordt, ook als je het nu nog niet ziet.

En dat is precies wat Robinson ook deed.

Hij vertrouwde erop dat er een dag zou komen waarop hij gered zou worden.

En die dag kwam.

Jouw dag komt ook.

De dag waarop je een gesprek voert in het Nederlands en je denkt: ik deed het.

Ik begreep alles.

Ik zei wat ik wilde zeggen.

Die dag komt.

Houd vol.

Dat is de boodschap van Robinson Crusoe, en dat is ook de boodschap van Dutch Fluency.

Geef niet op.

Blijf oefenen.

Blijf luisteren.

Blijf lezen.

En als het moeilijk is, denk dan aan Robinson op zijn eiland, die elke ochtend opstond en zei: vandaag ga ik verder.

Bedankt dat je geluisterd hebt naar deze aflevering van Boekisodes.

Morgen is er weer een nieuwe aflevering voor je klaar.

Tot dan, en blijf leren.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze