

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Nora woont in Den Haag.
Nora is acht jaar oud.
Zij heeft een rode fiets.
Zij heeft ook een blauwe bal.
Nora speelt graag buiten.
Vandaag gaat Nora naar het water.
Het water is groot.
Het water is blauw.
Nora ziet veel water.
Zij is blij.
Nora ziet een grote boot.
De boot is grijs.
De boot is heel groot.
Nora kijkt naar de boot.
Zij zegt: "Papa, wat is dat?" Papa heet Karel.
Karel staat naast Nora.
Hij kijkt ook naar de boot.
Hij zegt: "Dat is een grote boot." Nora knikt.
Zij kijkt goed.
De boot staat stil.
De boot beweegt niet.
Karel zegt: "De boot is kapot." Nora vraagt: "Kapot?" Karel zegt: "Ja, kapot." Nora ziet zwart water.
Het water is niet blauw.
Het water is zwart.
Nora vraagt: "Papa, wat is dat?" Karel zegt: "Dat is vuil water." Nora fronst.
Zij vindt het niet mooi.
Een man loopt langs.
De man heeft een gele jas.
De man heet Bas.
Bas werkt bij de haven.
De haven is groot.
Bas werkt hard.
Bas zegt: "Hallo!" Karel zegt: "Hallo Bas!" Nora zegt: "Hallo meneer!" Bas lacht.
Hij is aardig.
Nora vraagt: "Meneer Bas, wat is er?" Bas zegt: "De boot heeft een gat." Nora kijkt.
Zij ziet het gat.
Het gat is groot.
Nora zegt: "Oh nee!" Bas zegt: "Het zwarte water is vies." Nora knikt.
Zij begrijpt het.
Karel zegt: "De vissen zijn niet blij." Nora denkt aan de vissen.
Zij vindt de vissen lief.
Nora vraagt: "Komen er mensen helpen?" Bas zegt: "Ja, er komen mensen." Bas wijst naar een boot.
De boot is rood.
De rode boot is snel.
Nora ziet de rode boot.
Zij is blij.
De rode boot vaart naar de grote boot.
Nora kijkt.
Karel kijkt ook.
Bas zegt: "Die mensen helpen." Nora zegt: "Goed zo!" Nora zit op een steen.
De steen is grijs.
Karel zit naast haar.
Zij eten een boterham.
De boterham is lekker.
Nora drinkt water.
Het water is koud.
Nora kijkt naar de zee.
De zee is groot.
De zee is mooi.
Nora zegt: "Papa, ik hou van de zee." Karel lacht.
Hij zegt: "Ik ook, Nora." De rode boot werkt hard.
De mensen op de boot werken hard.
Nora kijkt lang.
Zij is tevreden.
Karel aait haar over haar hoofd.
Nora staat op.
Zij pakt haar fiets.
De fiets is rood.
Zij rijdt naar huis.
Karel loopt naast haar.
Het is een goede dag.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze