

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Stel je voor: je bent zeventien jaar oud.
Je woont nog bij je moeder.
De flat is klein en de sfeer is zwaar.
Je moeder zegt weinig, maar wat ze zegt doet pijn.
Buiten is de stad groot en koud, en jij weet niet precies waar je naartoe moet.
Je hebt plannen, dromen zelfs, maar ze voelen vaag en ver weg.
Herken je dat gevoel?
Misschien niet precies zo, maar dat gevoel van: ik pas hier niet, ik wil ergens anders zijn, ik wil iemand anders zijn.
Dat gevoel staat centraal in het boek dat we vandaag bespreken.
Welkom bij Boekisodes.
Ik ben Rick van Dutch Fluency, en vandaag neem ik je mee naar een van de meest bijzondere debuutromans uit de Nederlandse literatuur.
Het boek heet 'Blauwe Maandagen', geschreven door Arnon Grunberg.
Het verscheen in negentienhonderdvierennegentg, en Grunberg was toen twintig jaar oud.
Twintig jaar.
En toch schreef hij een boek dat mensen raakte, dat mensen herkenden, en dat nu nog steeds gelezen wordt.
Dat is bijzonder.
Vandaag vertel ik jou het verhaal, in gewoon Nederlands, zodat jij het ook kunt begrijpen en ervan kunt genieten.
Laten we beginnen met de wereld van dit boek en de mensen die erin leven.
Het verhaal speelt zich af in Amsterdam, ergens in de vroege jaren negentig van de twintigste eeuw.
Niet het mooie Amsterdam van de grachten en de tulpen die je op foto's ziet.
Nee, het Amsterdam van smalle straten, kleine appartementen, en mensen die proberen te overleven.
Het is een stad die tegelijk groot en eenzaam kan voelen.
De hoofdpersoon heet Arnon.
Dat is ook de naam van de schrijver zelf.
Grunberg schrijft dit boek alsof het zijn eigen leven is, maar het is geen dagboek.
Het is een roman.
Toch voelt alles heel echt, heel dichtbij.
Arnon is een jonge man, tiener aan het begin van het verhaal, en hij groeit op bij zijn moeder.
Zijn vader is er niet, of nauwelijks.
Zijn moeder is een ingewikkelde vrouw.
Ze houdt van hem, dat is zeker, maar ze is ook koud, afstandelijk, en soms hard.
Ze zegt dingen die een moeder eigenlijk niet zou moeten zeggen.
Ze maakt hem klein zonder het misschien te willen.
Arnon groeit op in die spanning: hij wil haar liefde, maar haar liefde doet soms pijn.
Dan zijn er de vrienden, of eigenlijk: de mensen die hij vrienden noemt.
Ze zijn niet altijd aardig.
Ze zijn soms raar, soms gevaarlijk, soms gewoon vervelend.
Maar ze zijn er.
En voor Arnon is dat genoeg, want alleen zijn is erger.
Er is ook een meisje, later in het verhaal.
En er zijn mensen die hij ontmoet in de nacht, in cafés, op straat.
Amsterdam is een stad die nooit slaapt, en Arnon slaapt ook niet veel.
Wat maakt Arnon interessant als personage?
Hij is slim, maar hij gebruikt zijn intelligentie niet altijd goed.
Hij is gevoelig, maar hij laat dat zelden zien.
Hij is grappig, met een droge humor die je soms doet lachen en soms doet huiveren, want je weet niet altijd of hij een grapje maakt of dat hij het meent.
Hij kijkt naar de wereld met een soort koele blik, alsof hij een beetje boven alles staat.
Maar ondertussen is hij gewoon een jongen die wil dat iemand van hem houdt.
Nu gaan we het verhaal in.
Ik neem je mee langs de belangrijkste momenten.
Het boek begint in de flat van Arnon en zijn moeder.
Het is een kleine ruimte, en die kleine ruimte voelt nog kleiner omdat de sfeer zo zwaar is.
Arnon beschrijft zijn moeder met een mengeling van liefde en irritatie.
Ze is aanwezig, maar niet echt aanwezig.
Ze kookt, ze praat, maar er is altijd een afstand.
Arnon schrijft ergens in het boek, en ik vertaal dit vrij voor je: "Mijn moeder keek naar me alsof ze me voor het eerst zag, en ik wist niet of dat goed of slecht was." Dat zinnetje zegt veel.
Het gevoel dat je eigen moeder je niet echt kent.
Dat je een vreemde bent in je eigen huis.
Arnon gaat naar school, maar school is niet zijn wereld.
Hij zit in de klas, hij hoort de leraren praten, maar zijn gedachten zijn ergens anders.
Hij droomt van een leven dat groter is, interessanter, echter.
Hij wil schrijver worden, of in ieder geval iemand die telt.
Maar hoe word je iemand die telt als niemand om je heen je serieus neemt?
Dan begint het tweede grote deel van het verhaal.
Arnon verlaat, of probeert te verlaten, de wereld van zijn moeder.
Hij gaat meer de straat op.
Hij ontmoet mensen.
Hij gaat naar cafés, naar feesten, naar plekken waar de nacht lang is en de gesprekken diep of juist heel oppervlakkig.
Hij drinkt, hij rookt, hij praat met mensen die hij nauwelijks kent.
En in die wereld voelt hij zich soms vrijer.
Maar ook in die wereld is hij eigenlijk alleen.
Er is een scene die ik je wil vertellen, want die blijft hangen.
Arnon is ergens op een feestje.
Hij kent niemand echt.
Hij staat in een hoek met een glas in zijn hand en hij kijkt naar de mensen om hem heen.
Iedereen lijkt plezier te hebben.
Iedereen lijkt ergens bij te horen.
En Arnon denkt, zo beschrijft hij het: "Ik stond erbij en keek ernaar, en ik vroeg me af wanneer ik zou leren hoe je dit doet, hoe je gewoon iemand bent tussen andere mensen." Dat is zo'n herkenbaar moment.
Dat gevoel dat iedereen de regels kent behalve jij.
Dat gevoel van buitenstaander zijn, zelfs als je midden in de menigte staat.
Maar Arnon geeft niet op.
Hij probeert contact te maken.
Hij praat met mensen.
Hij flirt, hij maakt grappen, hij vertelt verhalen.
En soms werkt het.
Soms is er een moment van echte verbinding, een gesprek dat voelt alsof twee mensen elkaar echt begrijpen.
Die momenten zijn kostbaar in dit boek, want ze zijn zeldzaam.
Dan komt er een meisje in het verhaal.
Ik noem haar hier gewoon het meisje, want haar naam is minder belangrijk dan wat ze betekent voor Arnon.
Ze is anders dan de mensen die hij normaal ontmoet.
Ze is rustig, ze luistert echt, ze stelt vragen die hem aan het denken zetten.
Arnon wordt verliefd, of iets wat daarop lijkt.
Hij wil bij haar zijn.
Hij belt haar op, hij zoekt haar op, hij denkt de hele dag aan haar.
Maar hier zit het probleem.
Arnon weet niet goed hoe hij met mensen moet omgaan als het echt wordt.
Als het oppervlakkig is, gaat het prima.
Maar als er echte gevoelens zijn, als er iets op het spel staat, dan trekt hij zich terug.
Of hij zegt iets verkeerds.
Of hij doet iets wat de ander wegduwt.
Het is alsof hij bang is voor echte nabijheid, voor echt contact.
En dat is begrijpelijk, als je bedenkt hoe hij is opgegroeid.
Als de eerste persoon die van je zou moeten houden, je moeder, je ook op afstand houdt, dan leer je misschien dat liefde altijd een beetje pijn doet.
Dan leer je misschien dat je beter niet te dichtbij kunt komen.
De relatie met het meisje loopt niet goed af.
Niet met een grote ruzie, niet met een dramatische scène.
Gewoon: het loopt dood.
Ze gaan uit elkaar, of ze komen nooit echt bij elkaar.
En Arnon gaat verder.
Dat is ook iets wat dit boek kenmerkt: het leven gaat gewoon door, ook als er geen mooie oplossing is.
Er is ook een deel van het boek dat gaat over geld, of het gebrek daaraan.
Arnon heeft weinig geld.
Zijn moeder heeft weinig geld.
En in Amsterdam, in de jaren negentig, kun je overleven met weinig geld, maar het is niet makkelijk.
Arnon probeert werk te vinden, probeert geld te verdienen.
Hij doet kleine baantjes, hij leent geld, hij kijkt hoe anderen het doen.
En soms gaat hij over grenzen die hij eigenlijk niet over wil gaan.
Niet op een criminele manier, maar op een manier waarbij hij zichzelf een beetje verliest.
Waarbij hij dingen doet die niet bij hem passen, alleen om erbij te horen, alleen om te overleven.
Er is een moment in het boek dat ik heel sterk vind.
Arnon staat op straat, laat op de avond.
Hij heeft net iets gedaan wat hij liever niet had gedaan.
Hij is moe.
Hij kijkt omhoog naar de lucht boven Amsterdam, en hij denkt aan zijn moeder.
Niet met woede, niet met verdriet, maar gewoon: hij denkt aan haar.
En hij realiseert zich dat hij haar mist, ook al is ze moeilijk, ook al doet ze hem soms pijn.
Ze is zijn moeder.
En dat is genoeg om haar te missen.
Dat moment is zo menselijk, zo eerlijk.
Grunberg schrijft hier iets wat veel mensen kennen maar niet altijd kunnen zeggen: je kunt iemand missen die je ook pijn doet.
Aan het einde van het boek is Arnon een beetje ouder.
Niet veel, maar genoeg om te merken dat hij veranderd is.
Hij heeft dingen meegemaakt.
Hij heeft mensen leren kennen en verloren.
Hij heeft geleerd dat Amsterdam groot is en dat hij klein is, maar dat klein zijn niet hetzelfde is als onbelangrijk zijn.
Hij heeft plannen, vage plannen, maar plannen.
Hij wil schrijven.
Hij wil zijn verhaal vertellen.
En misschien is dat het begin van iets.
Het boek eindigt niet met een grote overwinning.
Er is geen moment waarop alles goed komt.
Maar er is wel een gevoel van: ik ga door.
Ik ben er nog.
En misschien is dat genoeg.
Nu wil ik het met je hebben over de thema's van dit boek.
Wat zegt 'Blauwe Maandagen' eigenlijk?
Wat wil Grunberg ons vertellen?
Het eerste thema is vervreemding.
Dat is een moeilijk woord, dus ik leg het uit: vervreemding betekent het gevoel dat je ergens niet bij hoort, dat je een buitenstaander bent, zelfs in je eigen leven.
Arnon voelt zich vervreemd van zijn moeder, van zijn vrienden, van de stad.
Hij kijkt naar het leven alsof hij door een raam naar binnen kijkt, maar zelf buiten staat.
Dat gevoel kennen veel jongeren.
Grunberg schrijft erover op een manier die eerlijk is en niet overdreven.
Hij zegt niet: dit is heel erg en iedereen moet medelijden hebben.
Hij zegt gewoon: zo is het.
En dat eerlijkheid maakt het boek krachtig.
Het tweede thema is de moeder-kind relatie.
De relatie tussen Arnon en zijn moeder is het hart van dit boek.
Ze houden van elkaar, maar ze kunnen niet goed met elkaar omgaan.
Ze zijn te veel op elkaar, en tegelijk te ver van elkaar.
Grunberg schrijft over deze relatie zonder oordeel.
Hij zegt niet dat de moeder slecht is.
Hij zegt niet dat Arnon het slachtoffer is.
Hij laat gewoon zien hoe het is, hoe ingewikkeld liefde kan zijn, hoe een gezin tegelijk een veilige haven en een gevangenis kan zijn.
Het derde thema is identiteit.
Wie ben jij?
Dat is de vraag die Arnon de hele tijd stelt, zonder het hardop te zeggen.
Hij probeert verschillende versies van zichzelf uit.
Hij is de coole jongen in het café.
Hij is de gevoelige jongen bij het meisje.
Hij is de gehoorzame zoon bij zijn moeder.
Maar welke versie is de echte Arnon?
Dat weet hij zelf ook niet.
En misschien is dat wel het punt: op die leeftijd, in die fase van je leven, weet je het gewoon nog niet.
En dat is oké.
Het vierde thema is Amsterdam zelf.
De stad is niet alleen een achtergrond, de stad is een personage.
Amsterdam is koud en warm tegelijk.
Het is een stad van mogelijkheden, maar ook een stad die je kan vergeten, die je kan laten verdwijnen in de massa.
Grunberg schrijft over Amsterdam met liefde en met kritiek.
Hij houdt van de stad, maar hij weet ook wat de stad met mensen kan doen.
Dit boek verscheen in negentienhonderdvierennegentg, en je kunt het lezen als een document van die tijd.
De vroege jaren negentig in Nederland: de muur was net gevallen, er was hoop en verwarring, jongeren zochten naar een nieuw soort leven.
Maar Grunberg schrijft niet over grote historische gebeurtenissen.
Hij schrijft over het kleine leven, het dagelijkse leven, het leven van één jongen in één stad.
En juist daardoor is het universeel.
Juist daardoor herken je het, ook als je niet in Amsterdam woont, ook als je niet in de jaren negentig leefde.
En nu het slot.
Hoe eindigt dit verhaal, en wat blijft er hangen?
Het einde van 'Blauwe Maandagen' is stil.
Er is geen grote climax, geen dramatische ontknoping.
Arnon is ouder geworden, een beetje.
Hij heeft de stad leren kennen, hij heeft zichzelf een beetje leren kennen.
Hij heeft pijn gehad en vreugde gehad, en hij heeft overleefd.
Zijn relatie met zijn moeder is niet opgelost.
Die blijft ingewikkeld.
Maar er is een soort acceptatie.
Zo is het.
Zo is zij.
Zo ben ik.
En we gaan door.
Wat blijft er hangen na dit boek?
Voor mij is het de eerlijkheid.
Grunberg schrijft zonder valse hoop en zonder overdreven pessimisme.
Hij zegt: het leven is soms moeilijk, mensen zijn soms moeilijk, en toch ga je door.
Dat is geen grote boodschap, maar het is een echte boodschap.
En echte boodschappen zijn zeldzaam.
Ik denk ook aan de humor.
Want 'Blauwe Maandagen' is niet alleen een droevig boek.
Het is ook grappig.
Grunberg heeft een droge, scherpe humor die je soms doet lachen op momenten dat je eigenlijk niet wilt lachen.
Dat is een bijzondere gave.
En die humor maakt het boek draaglijk, maakt het menselijk.
Als je dit boek wilt lezen, en ik raad het je van harte aan, dan weet je nu al het verhaal.
Maar dat maakt het lezen niet minder mooi.
Want bij Grunberg gaat het niet alleen om wat er gebeurt, maar om hoe hij het beschrijft.
Om de zinnen, de woorden, de beelden.
En als je Nederlands leert, is dit een geweldig boek om te lezen.
De zinnen zijn niet te lang, de taal is direct, en de wereld die hij beschrijft is herkenbaar.
Bedankt dat je vandaag naar Boekisodes hebt geluisterd.
Ik hoop dat je het verhaal van Arnon mooi vond, en dat je misschien zin hebt gekregen om het boek zelf te lezen.
Dit is Rick van Dutch Fluency, en je vindt de volledige transcript van deze aflevering op dutchfluency.com slash transcripts.
Tot de volgende keer.
Maar wacht, ik wil nog iets zeggen voordat we echt stoppen.
Want ik merk dat ik altijd meer wil vertellen over een boek als ik er eenmaal over begin te praten.
En bij Grunberg is dat extra zo.
Er is namelijk iets wat ik nog niet heb gezegd, iets wat ik belangrijk vind.
Arnon Grunberg schreef dit boek toen hij twintig jaar was.
Twintig jaar.
Dat is bijna ongelooflijk als je bedenkt hoe volwassen het boek aanvoelt.
Niet volwassen in de zin van saai of serieus, maar volwassen in de zin van eerlijk.
Hij schrijft over dingen die veel mensen pas begrijpen als ze ouder zijn.
Over eenzaamheid, over het gevoel dat je niet past, over de vraag wat je eigenlijk wilt van het leven.
En hij deed dat op een leeftijd waarop veel mensen nog bezig zijn met heel andere dingen.
Ik denk dat dat ook verklaart waarom het boek zo populair is geworden.
Niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten.
Het is vertaald in meerdere talen.
Mensen over de hele wereld herkennen iets in Arnon, in zijn manier van kijken, in zijn gevoel van buitenstaander zijn.
En dat is misschien wel het mooiste wat een schrijver kan doen.
Niet een verhaal vertellen dat alleen voor jou geldt, maar een verhaal vertellen dat voor iedereen geldt, ook al denk je eerst van niet.
Als je zelf ooit in een nieuwe stad bent geweest, in een nieuwe situatie, met nieuwe mensen om je heen die je nog niet kent, dan weet je hoe Arnon zich voelt.
Die eerste weken in Amsterdam, die kamers, die baantjes, die mensen die wel aardig zijn maar ook een beetje vreemd.
Het gevoel dat je erbij hoort en er toch niet helemaal bij hoort.
Dat gevoel beschrijft Grunberg beter dan bijna iedereen.
En dan is er nog iets anders wat ik wil zeggen over de taal.
Want dit is tenslotte een taalpodcast.
Als je Nederlands leert, is het soms moeilijk om boeken te vinden die niet te makkelijk zijn maar ook niet te moeilijk.
Boeken die je echt iets leren over hoe mensen praten, hoe mensen denken, hoe de taal werkt in het echte leven.
Blauwe Maandagen is zo een boek.
De zinnen van Grunberg zijn kort en helder, maar ze hebben diepte.
Je kunt een zin lezen, denken dat je hem begrijpt, en dan een paar seconden later beseffen dat er nog meer in zit.
Dat is goed voor je Nederlands.
Niet alleen omdat je nieuwe woorden leert, maar omdat je leert hoe je met taal kunt spelen.
Hoe je iets kunt zeggen op een manier die meer betekent dan de woorden zelf.
Dat is iets wat je niet leert uit een grammaticaboek.
Dat leer je door te lezen, door te luisteren, door te oefenen.
Ik heb zelf ook een tijd gehad dat ik een nieuwe taal leerde.
En ik weet nog hoe frustrerend het soms was.
Je begrijpt de woorden, maar je begrijpt de toon niet.
Je begrijpt de zin, maar je begrijpt de grap niet.
Dat is een apart soort frustratie.
Maar dan komt er een moment, en dat moment is echt bijzonder, dat je iets leest of hoort en je denkt: ja, nu snap ik het.
Nu begrijp ik niet alleen de woorden, maar ook wat erachter zit.
Ik hoop dat Boekisodes een beetje helpt om dat moment sneller te bereiken.
Grunberg heeft na Blauwe Maandagen nog heel veel andere boeken geschreven.
Als je dit boek mooi vindt, dan zijn er genoeg andere dingen van hem om te lezen.
Zijn stijl blijft herkenbaar, die droge humor, die eerlijkheid, die korte zinnen die toch veel zeggen.
Maar Blauwe Maandagen heeft altijd iets speciaals gehouden.
Het is het begin.
Het is het boek waarmee alles begon.
En beginnen is altijd iets bijzonders.
Ik wil je bedanken dat je deze hele aflevering hebt geluisterd.
Dat is niet vanzelfsprekend.
Een boek bespreken in een andere taal dan je moedertaal kost energie.
Het vraagt aandacht.
Maar jij doet het, en dat betekent dat je serieus bezig bent met je Nederlands.
En dat verdient respect.
Als je vragen hebt over het boek, over de taal, of over iets wat ik heb gezegd in deze aflevering, dan kun je me altijd bereiken via dutchfluency.com.
Daar vind je ook de volledige transcript van deze aflevering, zodat je alles nog een keer rustig kunt nalezen.
Dat helpt echt.
Lezen en luisteren tegelijk is een van de beste manieren om een taal te leren.
Dit was Rick van Dutch Fluency.
Tot de volgende Boekisode.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze