

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Dit is Leo.
Leo is een man.
Dit is Sara.
Sara is een vrouw.
Leo en Sara zitten in de auto.
De auto is rood.
De auto is groot.
Zij rijden op de weg.
Zij gaan naar Den Haag.
Den Haag is een stad.
Het is een mooie stad.
Het weer is goed vandaag.
De zon is heel warm.
De lucht is blauw.
Leo kijkt naar de weg.
Sara kijkt naar buiten.
Zij zien heel veel bomen.
De bomen zijn groen.
Zij zien ook een bord.
Het bord staat naast de weg.
Het bord is groot.
Het bord is blauw.
Maar het bord is vies.
Heel erg vies.
Leo kijkt naar het bord.
Hij leest het bord niet.
Sara kijkt naar het bord.
Zij leest het bord ook niet.
Ik zie het niet.
zegt Leo.
Het bord is vies.
zegt Sara.
Waar gaan wij heen?
vraagt Leo.
Ik weet het niet.
zegt Sara.
Zij rijden verder op de weg.
Zij zien nog een bord.
Dit bord is ook vies.
Het is heel donker.
Zij zien de letters niet.
Dit is niet goed.
zegt Leo.
Wij zijn de weg kwijt.
zegt Sara.
Zij rijden langzaam.
Zij kijken goed.
Maar zij zien niets.
Zij zien alleen bomen.
Zij zien geen stad.
Leo pakt zijn telefoon.
De telefoon is zwart.
Hij belt een man.
De man heet Mark.
Mark werkt voor de weg.
Mark zit in een kantoor.
Het kantoor is in de stad.
Mark zit op een stoel.
Mark drinkt koffie.
De koffie is warm.
De koffie is lekker.
De telefoon gaat.
Mark hoort de telefoon.
Hij pakt de telefoon.
Hallo.
Met Mark zegt hij.
Hallo Mark.
Met Leo.
Zegt Leo.
Ik ben op de weg.
Zegt Leo.
Ik zie een bord.
Zegt Leo.
Maar het bord is vies.
Ik lees het bord niet.
Sara leest het bord ook niet.
Wij weten de weg niet.
Mark luistert naar Leo.
Mark drinkt zijn koffie.
Ja, dat klopt.
Zegt Mark.
Veel borden zijn vies.
Dat is een probleem.
Maar ik heb geen tijd.
Wij hebben veel werk.
Het bord is nu niet belangrijk.
Jullie moeten goed kijken.
Of jullie vragen de weg.
Leo is niet blij.
Geen tijd.
Vraagt Leo.
Nee.
Geen tijd.
Zegt Mark.
Ik ga nu weer werken.
Dag Leo.
Zegt Mark.
Dag Mark.
Zegt Leo.
Leo legt de telefoon weg.
Leo kijkt naar Sara.
Mark heeft geen tijd.
Zegt Leo.
Hij maakt het bord niet schoon.
Wat doen wij nu?
Vraagt Sara.
Zij hebben honger.
Zij willen eten.
Zij zien een man.
De man loopt op straat.
De man heeft een hond.
De hond is klein.
De hond is zwart.
De hond loopt snel.
Leo stopt de auto.
Hij doet het raam open.
Hallo, zegt Leo tegen de man.
Wij zoeken Den Haag, zegt Leo.
Weten jullie de weg?
De man lacht.
Ja, ik weet de weg, zegt hij.
Jullie gaan hier naar links.
Dan zien jullie de stad.
Dank je wel, zegt Sara.
Graag gedaan, zegt de man.
Leo en Sara rijden naar links.
Zij zien de stad.
Zij zien Den Haag.
Zij zijn heel blij.
Zij stoppen de auto.
Zij stappen uit de auto.
Zij lopen naar een winkel.
De winkel is groot.
Zij kopen brood.
Zij kopen ook water.
Zij eten het brood.
Zij drinken het water.
Het eten is heel lekker.
Zij denken niet meer aan het bord.
Het vieze bord is niet belangrijk.
Zij zijn in de stad.
Zij hebben een leuke dag.
Tot de volgende keer.
Bedankt voor het luisteren naar Dutch Fluency.
Op Dutchfluency.com vind je de transcript en oefeningen.
Spreek Nederlandse zelfs alsjes totherd.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze