Find my level
Login
Play me!
Alle podcasts

Praktische tips rolstoel gebruikers?

Een man heet Jan. Jan is goed, maar Jan is ook slecht.

Waarom is Jan slecht? Jan heeft een ongeluk.

Na het ongeluk kan Jan niet lopen. Jan heeft een rolstoel.

Jan heeft een nieuw huis. Het huis is groot. Jan gaat naar het nieuwe huis.

In het huis is een vrouw. De vrouw is de vrouw van Jan.

Zij is blij. Zij ziet Jan. Zij zegt hem.

Hallo Jan. Jan zegt. Hallo vrouw. Jan gaat naar de keuken.

De keuken is klein. Jan ziet een kopje. Het kopje is rood. Jan drinkt uit het kopje.

Hij drinkt T. De T is goed. Jan gaat naar buiten. Hij gaat de straat op.

Hij zit in de rolstoel. Hij gaat naar zijn werk. Het is ver, maar Jan is blij.

Hij is zelfstandig. Op straat ziet Jan een kind. Het kind ziet Jan.

Het kind zegt, hallo man. Jan zegt, hallo kind. Het kind vraagt.

Waarom zit jij in een rolstoel? Jan zegt, ik kan niet lopen. Het kind zegt, dat is slecht.

Jan zegt, nee, dat is niet slecht. Ik ben blij. Ik kan zelfstandig zijn.

Maar Jan komt bij zijn werk. Het werk is in een zorginstelling. In de zorginstelling zijn veel mensen.

De mensen zijn oud. Ze zitten ook in een rolstoel. Jan werkt met de mensen. Hij helpt de mensen.

De mensen zijn blij. Ze zeggen, dank je Jan.

Aan het einde van de dag gaat Jan naar huis. Hij is moe, maar hij is ook blij.

Hij heeft een goede dag. Hij is zelfstandig.

Hij heeft een rolstoel, maar dat is oké. Jan is blij. Hij zegt, ik ben blij.

Ik heb een goed leven. En de vrouw en het kind zijn ook blij.

Ze zeggen, wij zijn blij. Wij hebben Jan. Jan is goed.

En ze leven gelukkig in het grote huis.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze