

0:00
0:002:05
Een man heet Jan. Jan is goed, maar Jan is ook slecht.
A man is named Jan. Jan is good, but Jan is also bad.
Waarom is Jan slecht? Jan heeft een ongeluk.
Na het ongeluk kan Jan niet lopen. Jan heeft een rolstoel.
Jan heeft een nieuw huis. Het huis is groot. Jan gaat naar het nieuwe huis.
In het huis is een vrouw. De vrouw is de vrouw van Jan.