

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
# Weekrecap Dutch News Stories - A1 — 2026-W24 Hieronder volgen de afleveringen van deze week.
Vat ze samen in één natuurlijke Nederlandse Deep Dive aflevering: geef per aflevering de kerngedachte, link de verhalen aan elkaar waar dat kan, en sluit af met wat luisteraars deze week kunnen meenemen. ## Taalniveau Dit is een A1 aflevering.
Spreek heel rustig en in heel korte zinnen.
Gebruik alleen woorden die een A1-leerder kent.
Vermijd lange bijzinnen, beeldspraak en moeilijke werkwoordstijden.
Herhaal kernideeën in eenvoudige bewoordingen. ## Het Verloren Paspoort Leo en Lisa zijn in het huis.
Het huis is groot.
Het is ochtend.
De zon schijnt.
Het weer is mooi.
Leo en Lisa gaan op reis.
Ze gaan naar een warm land.
Leo is blij.
Lisa is ook blij.
Leo heeft een tas.
De tas is groot.
De tas is rood.
Lisa kijkt in de tas.
Ze ziet een jas.
Ze ziet een boek.
Ze ziet een appel.
Ze ziet water.
Maar ze ziet geen paspoort.
"Leo," zegt Lisa.
"Waar is het paspoort?" Leo kijkt in de tas.
Hij ziet geen paspoort.
Hij kijkt op de tafel.
Hij ziet geen paspoort.
Hij loopt naar de keuken.
Hij kijkt in de kast.
Hij ziet geen paspoort.
Lisa loopt naar de kamer.
Ze kijkt onder het bed.
Ze ziet een sok.
De sok is blauw.
Maar ze ziet geen paspoort.
Het paspoort is weg.
Leo en Lisa hebben een probleem.
Ze gaan vandaag op reis.
Ze hebben een paspoort nodig.
"Wij gaan naar Schiphol," zegt Leo.
"Daar maken ze een paspoort." Ze gaan naar de auto.
De auto is geel.
De auto is klein.
Ze rijden naar Schiphol.
Ze rijden op de weg.
Ze zien veel auto's.
Ze zien een bus.
De bus is groen.
Ze komen bij Schiphol.
Schiphol is heel groot.
Ze lopen in de hal.
Ze horen veel geluid.
Ze zien veel mensen.
De mensen lopen snel.
De mensen hebben grote tassen.
Leo en Lisa lopen verder.
Ze zien een man.
De man zit aan een tafel.
De man heeft een blauwe jas.
"Hallo," zegt Leo.
"Wij hebben een probleem." "Het paspoort is weg." "Wij gaan op reis." "Wij hebben een paspoort nodig." De man kijkt naar Leo.
De man kijkt naar Lisa.
"Dat is een probleem," zegt hij.
"Ik maak een nieuw paspoort." "Maar ik heb ook een probleem." "De computer is stuk." "De computer doet het niet." "Jullie moeten wachten." Leo en Lisa wachten.
Ze zitten op een stoel.
De stoel is hard.
De stoel is koud.
Leo heeft honger.
Hij pakt de tas.
Hij pakt de appel.
Hij eet de appel.
De appel is lekker.
De appel is zoet.
Lisa heeft dorst.
Ze pakt het water.
Ze drinkt het water.
Ze wachten een uur.
Het is heel saai.
Leo leest het boek.
Het boek is dik.
Lisa kijkt naar de mensen.
Ze ziet een kind.
Het kind huilt.
Ze ziet een hond.
De hond slaapt.
Ze wachten nog een uur.
Leo is moe.
Hij sluit zijn ogen.
Hij slaapt een beetje.
Dan komt de man.
De man lacht.
"De computer werkt!" zegt de man.
"De computer doet het weer." Leo wordt wakker.
Leo en Lisa zijn blij.
Ze lopen naar de tafel.
De man typt op de computer.
Hij typt heel snel.
Hij kijkt naar Leo.
Hij kijkt naar Lisa.
Hij maakt een foto.
Hij maakt een boekje.
Het boekje is roze.
"Hier is het paspoort," zegt hij.
"Jullie kunnen op reis." "Dank je wel," zegt Lisa.
"Dank je wel," zegt Leo.
Ze hebben een paspoort.
Ze zijn heel blij.
Ze lopen verder in de hal.
Ze gaan naar het warme land.
De zon schijnt daar ook.
Het is een heel goede dag.
Tot de volgende keer. ## Blij met mijn Werk Hallo.
Ik ben Ali.
Ik woon in Rotterdam.
Het is ochtend.
De zon schijnt.
Het weer is mooi.
Ik sta op.
Ik was mijn gezicht.
Het water is koud.
Ik droog mijn gezicht.
Ik ga naar de keuken.
Ik maak eten.
Ik eet brood.
Het brood is vers.
Ik eet ook een ei.
Het ei is warm.
Ik drink koffie.
De koffie is warm.
Ik drink nog een koffie.
Ik ben wakker.
Ik heb veel energie.
Energie is goed.
Ik pak mijn tas.
De tas is groen.
Ik ga naar buiten.
Ik loop op straat.
Ik zie een hond.
De hond is bruin.
De hond loopt snel.
De hond speelt met een bal.
De bal is rood.
Ik kijk naar de hond.
Ik lach.
Ik loop ook snel.
Ik ga naar mijn werk.
Ik werk in een winkel.
De winkel is groot.
De winkel is in de stad.
Ik vind mijn werk leuk.
Ik zie Lisa.
Lisa is mijn baas.
Zij is een vrouw.
Zij is heel aardig.
Zij zegt hallo.
Ik zeg hallo.
Wij gaan werken.
Er is veel werk.
Ik pak appels.
De appels zijn rood.
Ik pak bananen.
De bananen zijn geel.
Ik pak peren.
De peren zijn groen.
Ik leg het fruit neer.
Het is mooi.
Een man komt in de winkel.
De man is oud.
De man heeft een jas.
De jas is blauw.
De man wil appels.
Hij vraagt om appels.
Ik geef hem appels.
De man is blij.
Hij zegt dank je.
Ik zeg alsjeblieft.
Ik help veel mensen.
Ik loop door de winkel.
Een vrouw komt binnen.
Zij heeft een kind.
Het kind is klein.
Het kind huilt.
Het kind heeft honger.
Het kind wil een banaan.
Ik geef een banaan.
Het kind eet de banaan.
Het kind lacht.
De vrouw is blij.
Zij zegt dank je.
Ik zeg alsjeblieft.
Ik ben ook blij.
Werk is goed.
Werk geeft energie.
Ik loop weer door de winkel.
Ik zie Lisa.
Lisa drinkt water.
Ik heb ook dorst.
Ik drink ook water.
Het water is koud.
Het is middag.
Wij hebben pauze.
Wij eten brood.
Wij eten kaas.
De kaas is geel.
Wij drinken melk.
De melk is wit.
Het eten is lekker.
Wij praten veel.
Wij lachen veel.
Wij werken weer.
Ik help nog een man.
Ik help nog een vrouw.
De tijd gaat snel.
Het is nu avond.
De winkel gaat dicht.
Lisa zegt tot morgen.
Ik zeg tot morgen.
Ik ga naar huis.
Ik loop op straat.
Het is donker.
Ik zie de maan.
De maan is wit.
Ik zie sterren.
De sterren zijn mooi.
Ik ben bij mijn huis.
Ik open de deur.
Ik ga naar binnen.
Ik zie mijn kat.
De kat is zwart.
De kat heet Minoes.
De kat slaapt.
Ik aai de kat.
De kat is wakker.
De kat is blij.
Ik geef de kat eten.
Ik ga zitten op de bank.
De bank is zacht.
Ik ben moe.
Maar ik ben blij.
Ik heb een baan.
Een baan is werk.
Ik werk heel graag.
Ik krijg veel energie van werk.
Morgen ga ik weer.
Morgen is een nieuwe dag.
Ik ga weer werken.
Ik ga weer appels pakken.
Ik ga weer mensen helpen.
Ik vind het heel leuk.
Tot de volgende keer. De Late Bal in Delft. Ik heet Lena.
Ik woon in Delft.
Mijn huis is klein.
Mijn moeder heet Eva.
Mijn vader heet Pim.
Oma Els is bij ons.
De lucht is koud.
De straat is nat.
Ik hoor een bus.
De bus gaat weg.
Het is laat.
Vandaag speelt Nederland met Spanje.
De bal is op televisie.
Zij spelen voor een grote beker.
De bar van Eva is open.
Veel bars zijn open laat.
Veel mensen kijken naar voetbal.
Veel mensen slapen kort.
Eva zegt: 'Mijn lijf wil bed.' Ik zeg: 'Mijn lijf ook.' Eva lacht.
De bar is geel van licht.
De deur is open.
Ik ruik soep.
Ik ruik brood.
Ik zie melk.
Ik zie water.
Eva werkt.
Zij loopt veel.
Zij zegt: 'Welkom allemaal.' Ik mag mee.
Oma komt ook.
Pim komt op de fiets.
Mijn hond Bas blijft thuis.
Hij slaapt in huis.
Dat is slim.
Ik heb een jas.
De jas is rood.
Oma heeft een sjaal.
De sjaal is groen.
Pim heeft een pet.
De pet is oranje.
De pet zit op zijn oor.
Oma zegt: 'Pim, je oor speelt ook.' Pim zegt: 'Mijn oor is fan.' Ik lach.
In de bar zijn zes mensen.
Een man heeft een oranje jas.
Een vrouw heeft een blauwe tas.
Een kind heeft een rode bal.
De bal mag niet in de bar.
Het kind ziet mij.
Hij zegt: 'Wil jij spelen?' Ik zeg: 'Nu niet.' Ik kijk naar de bal op televisie.
De echte bal ligt in zijn hand.
Dat is gek.
Om twaalf uur gaat het spel door.
De bal gaat snel.
Iedereen kijkt.
Pim kijkt met grote ogen.
Mijn ogen zijn klein.
Mijn lijf wil slaap.
Mijn hoofd wil bed.
Ik zeg: 'Mijn klok is boos.' Oma zegt: 'Mijn klok ook.' Haar bril zit laag.
Zij ziet de bal niet goed.
Zij zegt: 'Is dat de bus?' Ik zeg: 'Nee, dat is Spanje.' Oma lacht hard.
Eva zet cola op tafel.
Pim pakt melk.
Hij denkt niet goed.
Hij doet zout in zijn melk.
Hij drinkt.
Zijn gezicht is raar.
Hij zegt: 'Deze melk is boos.' Oma lacht weer.
Ik lach ook.
Eva zegt: 'Pim, zout hoort bij soep.' Pim zegt: 'Mijn melk speelt ook.' Nederland heeft de bal.
Spanje heeft de bal.
Nederland heeft de bal weer.
Een man zegt: 'Kom, bal!' Een vrouw zegt: 'Kom, Nederland!' De bal gaat in het net.
Nederland heeft een punt.
Iedereen roept.
Ik hoor veel geluid.
De glazen doen ting ting.
Mijn melk doet ting ting.
Ik zeg: 'Melk, niet dansen.' Oma zegt: 'Melk wil ook spelen.' Het is heel laat.
Mijn ogen willen dicht.
Mijn klok in mijn lijf zegt slaap.
Ik zeg: 'Ja, klok.' Eva hoort mij.
Zij zegt: 'Nog even.' Ik eet brood.
Ik drink water.
Ik kijk nog.
Pim zet zijn pet goed.
De pet zit nu op zijn hoofd.
Oma zegt: 'Nu ziet je oor niets.' Pim lacht.
Na het spel gaan wij naar huis.
Eva doet de bar dicht.
De straat is nat en blauw.
Ik ruik regen.
Ik hoor mijn fiets.
Pim loopt met de fiets.
Oma loopt naast mij.
Ik ben moe.
Thuis drink ik water.
Ik lees twee woorden.
Dan slaap ik.
Ik ben blij.
Mijn bed is fijn.
Tot de volgende keer. ## De Vogel en de Appel Het is koud vandaag.
De zon schijnt niet.
De lucht is grijs.
Het waait buiten.
Tom is in het huis.
Het huis is in Haarlem.
Het huis is groot en warm.
Tom zit aan de tafel.
De tafel is bruin.
De tafel is heel groot.
Tom heeft papier.
Het papier is wit.
Tom heeft veel papier.
Tom werkt aan de tafel.
Tom maakt een vogel.
De vogel is van papier.
Tom werkt heel hard.
Tom werkt met zijn handen.
Tom maakt een mooie vogel.
De vogel is klaar.
De vogel is heel mooi.
Tom is blij.
Tom kijkt naar de vogel.
De vogel is wit.
Iwan komt in de kamer.
Iwan is de broer van Tom.
Iwan is een grote man.
Iwan heeft een blauwe broek aan.
Iwan heeft honger.
Iwan heeft een appel.
De appel is rood.
De appel is groot en rond.
Iwan legt de appel op de tafel.
Iwan pakt een boek.
Het boek is dik.
Het boek is groen.
Iwan gaat zitten op een stoel.
De stoel is zacht.
Iwan leest het boek.
Iwan leest graag.
Tom speelt met de vogel.
Tom loopt door de kamer.
Tom loopt van de deur naar het raam.
De vogel gaat door de lucht.
Tom lacht.
Het is leuk.
Tom is net een kind.
"Kijk Iwan," zegt Tom.
"Zie je mijn vogel?
De vogel is mooi." Iwan kijkt niet.
Iwan leest het boek.
Iwan houdt van lezen.
Iwan wil stilte.
Tom loopt naar Iwan.
De vogel komt bij Iwan.
De vogel is bij het hoofd van Iwan.
De vogel is heel dicht bij Iwan.
Iwan is niet blij.
Iwan stopt met lezen.
Iwan kijkt naar de vogel.
Iwan pakt de vogel met zijn hand.
Iwan maakt de vogel kapot.
Het papier is nu stuk.
De vogel is niet meer mooi.
Iwan legt het papier op de tafel.
Iwan leest weer verder.
Tom ziet dit.
Tom is boos.
Tom is heel erg boos.
Tom is rood.
"Waarom doe je dat?" vraagt Tom.
"Dat is mijn vogel!" Iwan kijkt naar Tom.
"De vogel is stom," zegt Iwan.
"Ik wil lezen.
Ik wil geen vogel hier." Tom kijkt naar Iwan.
Tom kijkt naar de appel.
De appel van Iwan.
De rode appel op de tafel.
Tom heeft een plan.
Tom pakt de appel.
Tom eet de appel.
Tom eet de appel heel snel.
De appel is lekker.
De appel is zoet.
Tom eet de hele appel.
Iwan ziet dit.
Iwan is nu ook boos.
"Wat doe je?" vraagt Iwan.
"Dat is mijn appel!
Jij eet mijn appel!" Tom lacht niet.
Tom kijkt naar Iwan.
"Jij maakt mijn vogel kapot," zegt Tom.
"Dus ik eet jouw appel.
Dat is mijn antwoord." Lisa komt in de kamer.
Lisa is de zus van Tom.
Lisa is ook de zus van Iwan.
Lisa ziet Tom.
Lisa ziet Iwan.
Lisa ziet het kapotte papier.
Lisa ziet de appel.
De appel is bijna op.
"Wat doen jullie?" vraagt Lisa.
"Zijn jullie boos?" Tom kijkt naar Iwan.
"Iwan maakt mijn vogel kapot," zegt Tom.
Iwan kijkt naar Tom.
"Tom eet mijn appel," zegt Iwan.
Lisa lacht.
Lisa vindt het grappig.
"Jullie zijn net kleine kinderen," zegt Lisa.
"Jullie zijn grote mannen.
Maar jullie doen heel raar." Lisa loopt naar de kast.
Lisa pakt nieuw papier.
Het papier is blauw.
Lisa geeft het papier aan Tom.
"Maak een nieuwe vogel," zegt Lisa.
"Een blauwe vogel." Lisa loopt naar de keuken.
Lisa pakt een nieuwe appel.
De appel is groen.
Lisa geeft de appel aan Iwan.
"Eet deze appel," zegt Lisa.
"En lees je boek." Tom is weer blij.
Tom maakt een nieuwe vogel.
De blauwe vogel is ook mooi.
Iwan is ook weer blij.
Iwan eet de groene appel.
Iwan leest zijn boek.
Het is weer goed in huis.
Tot de volgende keer. ## De Bus naar Spanje Hallo.
Ik ben Rick.
Ik ben leraar.
Ik woon in Den Haag.
Vandaag vertel ik een verhaal.
Het verhaal gaat over Omar.
Omar is een man.
Omar gaat naar Spanje.
Spanje is een land.
Het land is warm.
Omar gaat met de bus.
De bus is heel groot.
De bus is geel.
Omar zit in de bus.
Hij kijkt uit het raam.
Hij ziet de straat.
Hij ziet veel auto's.
Hij ziet een fiets.
Omar is niet alleen.
Farid is ook in de bus.
Farid is een man.
Farid is de vriend van Omar.
Farid slaapt in de bus.
Hij slaapt veel.
Omar kijkt naar Farid.
Omar zegt: "Farid, kijk." Farid kijkt niet.
Farid slaapt.
Omar ziet water.
Hij ziet heel veel water.
Het water is blauw.
Omar drinkt water.
Hij heeft water.
Omar drinkt veel water.
Het is warm in de bus.
De zon is geel.
Het weer is mooi.
Maar het is heel warm.
Omar wil eten.
Hij heeft brood.
Het brood is bruin.
Omar eet het brood.
Hij eet ook een appel.
De appel is rood.
De appel is goed.
Farid slaapt.
Omar zegt: "Farid, eet." Farid hoort Omar niet.
Farid slaapt.
Omar lacht.
Farid slaapt veel.
De bus gaat naar Spanje.
Er zijn veel mensen.
Heel veel mensen in de bus.
Honderd mensen.
Tweehonderd mensen.
Driehonderd mensen.
Heel veel mensen gaan naar Spanje.
De mensen zoeken een huis.
Ze willen een huis in Spanje.
Ze willen werken in Spanje.
Omar wil ook werken.
Hij wil werken in een winkel.
Een winkel met brood.
Omar eet graag brood.
De bus stopt.
De bus is in een stad.
De stad is groot.
Omar ziet een straat.
Hij ziet een park.
Hij ziet een hond.
De hond is zwart.
De hond loopt in het park.
Omar zegt: "Kijk, een hond." Farid kijkt.
Farid kijkt naar de hond.
Farid zegt: "Ik zie de hond." Farid zegt: "Ik wil eten." Omar geeft Farid brood.
Farid eet het brood.
Farid eet ook een appel.
De mannen eten en drinken.
Ze drinken water.
Ze zijn in Spanje.
Het land is mooi.
Het weer is goed.
De zon is warm.
Omar is blij.
Farid is ook blij.
Ze lopen in de straat.
Ze zien een huis.
Het huis is wit.
Het huis is mooi.
Omar zegt: "Kijk, een huis." Farid zegt: "Ja, een mooi huis." Ze lopen naar het park.
In het park is een kat.
De kat is wit.
De kat slaapt.
Farid zegt: "De kat slaapt." Omar lacht.
Omar zegt: "Jij slaapt ook veel." Farid lacht ook.
Ze lopen naar een winkel.
Ze zien brood in de winkel.
Ze zien water in de winkel.
Omar zegt: "Ik wil werken." Farid zegt: "Ik wil ook werken." Ze gaan in de winkel.
Ze zien een man.
De man werkt in de winkel.
Omar zegt: "Hallo." De man zegt: "Hallo." Omar zegt: "Wij willen werken." De man lacht.
De man zegt: "Dat is goed." De man heet Pablo.
Pablo is een goede man.
Pablo heeft een grote winkel.
In de winkel is veel eten.
Er is brood.
Er is water.
Er zijn appels.
Omar en Farid zijn blij.
Ze hebben werk in de winkel.
Ze hebben een vriend.
De vriend heet Pablo.
Ze hebben eten en drinken.
Ze zijn in een mooie stad.
Omar kijkt uit het raam.
Hij ziet de straat.
Hij ziet de zon.
Hij is heel blij.
Farid is ook heel blij.
Farid zit op een stoel.
Farid slaapt.
Omar lacht.
Omar zegt: "Slaap lekker, Farid." Dit is het einde.
Tot de volgende keer. ## Een Dag bij Zee Ik ben Rick.
Ik ben leraar.
Ik kom uit Den Haag.
Vandaag ga ik naar zee.
Het strand is bij Rotterdam.
Ik ga met Noa en Sam.
Noa heeft een rode tas.
Sam heeft een blauwe hoed.
Ik heb brood en kaas.
Ik heb ook sap.
De bus komt.
Wij gaan in de bus.
Ik zie de stad.
Ik zie auto na auto.
Sam kijkt naar zijn hoed.
De hoed is blauw.
Sam zegt: 'Mijn hoed is mooi.' Noa zegt: 'Mijn tas is mooi.' Ik zeg: 'Mijn brood is mooi.' Noa lacht.
Sam lacht.
Het brood lacht niet.
Het brood is stil.
Bij zee is de zon geel.
De lucht is blauw.
De wind is warm.
Ik ruik zout.
Ik ruik patat.
Ik hoor de zee.
Ik hoor een kind.
Het kind zingt.
Het lied is kort.
Het strand is groot.
Er zijn veel mensen.
Er zijn ook grote kinderen.
Zij spelen met een bal.
De bal is rood.
De bal gaat hoog.
Een man in geel staat bij de bus.
Een vrouw in geel staat bij het zand.
Zij zeggen: 'Hallo.' Zij kijken naar het strand.
Zij helpen mensen.
Er is een bord.
Het bord is wit.
Op het bord staat een plan.
Het plan is simpel.
Loop goed.
Praat zacht.
Speel hier.
Eet daar.
Vraag hulp bij geel.
Noa leest het bord.
Zij zegt: 'Ik speel hier.' Sam zegt: 'Ik eet daar.' Ik zeg: 'Ik drink sap hier.' Noa lacht weer.
Sam eet een stuk brood.
Hij heeft kaas op zijn neus.
Noa ziet de kaas.
Zij zegt: 'Sam, je neus eet ook.' Sam kijkt scheel naar zijn neus.
Ik lach.
Een meisje naast ons lacht ook.
Sam zegt: 'Mijn neus heeft honger.' Hij eet de kaas snel op.
Nu is zijn neus schoon.
Dan gaat zijn hoed weg.
De wind neemt de hoed.
De hoed gaat over het zand.
Sam roept: 'Hoed, kom hier!' De hoed hoort niks.
Noa loopt naar de hoed.
Zij pakt de hoed.
Zij geeft de hoed aan Sam.
Sam zet de hoed op.
De hoed zit scheef.
Noa zegt: 'Nu ben jij kapitein.' Sam zegt: 'Ik ben kapitein Koek.' Hij neemt een koek.
De koek zit in zijn hand.
Hij telt zijn koek.
Een koek.
Twee koek.
Drie koek.
Hij telt weer.
Een koek.
Twee koek.
Drie koek.
Noa zegt: 'Sam, het is nog drie.' Sam zegt: 'Ja, maar ik oefen.' Ik zeg: 'Dat is goed voor taal.' Wij zitten op een kleed.
Het kleed is groen.
Mijn voeten zijn in het zand.
Het zand is warm.
Ik drink sap.
Noa drinkt water.
Sam drinkt sap.
Een jongen komt bij ons.
Hij heeft een bal.
Hij zegt: 'Mag ik hier spelen?' Ik zeg: 'Ja, daar is plek.' De jongen speelt daar.
Hij speelt goed.
De man in geel zegt: 'Goed zo.' De vrouw in geel zegt: 'Fijne dag.' Alle mensen lopen goed.
Alle kinderen spelen goed.
Het plan helpt.
Het strand voelt fijn.
Ik kijk naar Noa.
Ik kijk naar Sam.
Zij zijn goed samen.
Ik denk: dit is een mooie dag.
Ik ben Rick uit Den Haag.
Ik zeg: 'Taal is ook op zee.' Noa zegt: 'En kaas op een neus.' Sam zegt: 'En koek, veel koek.' Wij lachen.
De zon is nog geel.
De zee is nog blauw.
Ik ruik zout en patat.
Wij gaan naar de bus.
Sam houdt zijn hoed vast.
Noa houdt haar tas vast.
Ik houd het brood vast.
Het brood is nog stil.
Tot de volgende keer. ## Het Alarm en de Bingo Het is maandag.
Het weer is mooi.
De zon schijnt in Den Haag.
De lucht is blauw.
Er is geen wolk.
Mark is in het huis.
Het huis is groot.
Het huis heeft een tuin.
Mark is een man.
Hij zit op een stoel.
De stoel is zacht.
De stoel is rood.
Mark drinkt koffie.
De koffie is warm.
De koffie is zwart.
Mark is blij.
Sophie is ook in het huis.
Sophie is een vrouw.
Zij is de vrouw van Mark.
Sophie zit op de bank.
De bank is groen.
Sophie leest een boek.
Het boek is dik.
Het boek is leuk.
Zij drinkt thee.
De thee is groen.
Max is een kind.
Max is de zoon.
Hij is in de kamer.
Hij speelt op de vloer.
Hij speelt met Bello.
Bello is een hond.
De hond is groot.
De hond is bruin.
De hond heeft een staart.
De staart gaat heen en weer.
Mark pakt zijn telefoon.
De telefoon is nieuw.
Hij kijkt naar de telefoon.
Hij opent een app.
De app is voor audio.
Mark luistert naar een podcast.
De podcast is leuk.
De podcast heet De Stemming.
Twee mannen praten.
Ze praten heel veel.
Mark lacht hard.
Hij vindt het grappig.
"Luister je mee?" vraagt Mark.
Sophie kijkt op.
"Ja, ik luister mee," zegt ze.
Sophie legt het boek weg.
De mannen in de podcast praten.
Ze praten over een muur.
Een muur voor geld.
Mark snapt het niet.
"Een muur voor geld?" zegt Mark.
"Wat is dat?" Sophie lacht.
"Dat is op het internet," zegt ze.
"Je betaalt voor tekst." Mark knikt.
"Ik snap het," zegt hij.
Dan is er een geluid.
Een heel hard geluid.
Het geluid is buiten.
Het is het alarm.
Het alarm gaat af.
Het is twaalf uur.
Het is de eerste maandag.
De eerste maandag van de maand.
Het alarm is heel luid.
Het gaat op en neer.
"Oei," zegt Max.
Max stopt met spelen.
Hij kijkt naar het raam.
Hij ziet de straat.
Bello de hond hoort het ook.
Bello huilt.
"Ahoe," doet Bello.
Bello huilt heel hard.
Mark lacht.
"Bello zingt mee," zegt Mark.
"Bello zingt met het alarm." Sophie lacht ook.
"Gekke hond," zegt Sophie.
Het alarm stopt.
Het is weer stil.
Het is stil in de straat.
De podcast gaat door.
De mannen praten weer.
Ze spelen een spel.
Het spel heet bingo.
"Wij spelen ook bingo," zegt Mark.
Mark staat op.
Hij loopt naar de kast.
Hij pakt een pen.
Hij pakt een vel.
Het is een vel voor bingo.
"Ik zeg een woord," zegt Mark.
"Jullie zoeken het woord." "Leuk," zegt Sophie.
"Ik doe mee," zegt Max.
Mark zegt een woord.
"Fiets," zegt Mark.
Max kijkt op zijn vel.
"Ik heb fiets!" roept Max.
Mark zegt nog een woord.
"Hond," zegt Mark.
"Ik heb hond!" roept Sophie.
Bello blaft.
"Woef," zegt Bello.
"Bello heeft ook bingo," lacht Mark.
Ze spelen lang bingo.
Mark zegt veel woorden.
Auto, huis, boom, kat.
Ze zoeken de woorden.
Het is heel gezellig.
Mark heeft honger.
"Ik ga koken," zegt Mark.
Hij loopt naar de keuken.
Hij maakt soep.
De soep is warm.
De soep is rood.
Het is soep met tomaat.
De soep ruikt heel goed.
Ze eten de soep.
Ze eten aan de tafel.
Ze eten ook brood.
Het brood is bruin.
Het eten is lekker.
Mark drinkt water.
Sophie drinkt water.
Max drinkt melk.
Bello eet zijn eten.
Na het eten is het avond.
De zon gaat weg.
Het is donker buiten.
Max gaat naar bed.
Hij gaat slapen.
Hij droomt mooi.
Mark en Sophie zitten op de bank.
Ze kijken een film.
De film is mooi.
Het is een goede dag.
Een dag met een podcast.
Een dag met een alarm.
Een dag met bingo.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze