

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben Jan. Ik heb een vriend.
Mijn vriend heet Tom. Tom is student.
Tom woont in een huis. Het huis is groot.
In het huis is een kamer. In de kamer staat een la.
Tom heeft een la. In de la liggen dingen.
Ik kijk in de la. Ik zie munden. Munden van geld.
Ik zie oude munden. De munden zijn zilver.
Of niet. Tom zegt. Ik denk de munden zijn napp.
Ik zeg waarom denk je dat? Tom zegt ze ogen niet zilver.
Ik heb een idee. Ik ga naar een man.
De man weet veel van geld.
Hij is een expert. Ik ga met de munden naar de man.
Ik zeg dag meneer. Ik heb een vraag. De man zegt.
Dag. Wat is de vraag? Ik zeg deze munden.
Zijn ze echt? De man kijkt goed. Hij kijkt lang naar de munden.
Hij zegt. Deze munden zijn oud. Ze zijn van achten en neter.
Ik zeg. Ja, dat weet ik. De man zegt.
Ik denk. Ik denk ze zijn niet echt zilver.
Ik ben een beetje verdrietig. Tom is ook verdrietig.
De munden zijn napp. Geen echt zilver. Ze liggen al jaren in de la.
Nu weten we het. De munden zijn niet veel geld waard.
Maar ze zijn wel oud. Het is een verhaal. Het verhaal van de munden in de la.
Ik zeg tegen Tom. De munden zijn napp.
Maar dat is niet erg. Ze zijn nog steeds interessant.
Tom zegt. Ja, je hebt gelijk.
Het is een leuk verhaal. We lachen. De munden zijn napp, maar de dag is goed.
We gaan eten. We eten pannenkoeken. Pannenkoeken met stroop. Lekker.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze