

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben Marko.
Ik woon in Belgrado.
Belgrado is een grote stad.
Vandaag is het warm.
De zon schijnt.
Ik loop naar de markt.
Ik wil fruit kopen.
Ik zie veel mensen op straat.
De mensen lopen naar een groot gebouw.
Ik vraag aan een vrouw: “Wat is er?” De vrouw zegt: “Er is een bijeenkomst.” Ik ben nieuwsgierig.
Ik loop mee.
Het gebouw is oud.
Voor het gebouw staan veel auto's.
De mensen praten zacht.
Ik hoor het geluid van de auto's.
Ik zie een man.
De man heeft een wit haar.
Hij staat bij de deur.
Ik vraag: “Wie is de man?” De man zegt: “Dat is Mladic.” Ik ken de naam niet.
De man zegt: “Hij was een leider.” Ik zeg: “Een leider van wat?” De man zegt: “Hij heeft veel mensen pijn gedaan.” Ik schrik.
Ik denk: “Dat is niet goed.” De mensen lopen het gebouw in.
Ik ga ook naar binnen.
Het is stil binnen.
Er staan veel bloemen.
De bloemen zijn wit en rood.
Ik ruik de bloemen.
Ze ruiken zoet.
Ik zie een foto.
De foto is groot.
Op de foto staat een man.
De man heeft een uniform aan.
Het uniform is grijs.
Ik denk: “Wie is deze man?” Een oude vrouw staat naast mij.
Zij heeft een zwarte jas aan.
Zij zegt: “Hij is dood.” Ik zeg: “Oh.” De vrouw zegt: “Hij was mijn buurman.” Ik zeg: “Was hij aardig?” De vrouw zegt: “Nee.
Hij was niet aardig.
Hij heeft veel mensen pijn gedaan.” Ik voel me niet goed.
Mijn hart klopt snel.
Ik loop naar buiten.
Buiten is de lucht helder.
Ik zie een kind.
Het kind speelt met een bal.
De bal is rood en geel.
Het kind lacht.
Het geluid van het lachen is vrolijk.
Ik denk: “Het leven gaat door.” Ik loop naar de markt.
De markt is dichtbij.
Ik koop appels.
De appels zijn rood.
Ze glimmen in de zon.
Ik eet een appel.
De appel is zoet.
Het sap is lekker.
Ik loop naar huis.
Mijn huis is klein.
Het is rustig.
Ik zit op een stoel.
De stoel is oud maar comfortabel.
Ik denk aan de man.
Ik denk aan de mensen.
Ik ben blij dat ik vrede heb.
Ik drink water.
Het water is koud.
Ik kijk uit het raam.
De zon schijnt nog.
Ik zie de mensen op straat.
Ze lopen en praten.
Het leven is normaal.
Ik ben kalm.
Ik denk: “Vandaag is een rare dag.” Maar ik heb fruit.
Ik heb een huis.
Ik heb vrede.
Dat is goed.
Ik eet nog een appel.
De appel is lekker.
Ik lees een boek.
Het boek is over de zee.
Ik hou van de zee.
De zee is groot en blauw.
Ik word rustig.
Ik denk aan morgen.
Morgen ga ik werken.
Ik werk in een winkel.
Ik verkoop brood.
De mensen komen naar de winkel.
Ze kopen brood.
Ze zijn blij.
Ik ben ook blij.
Vandaag was een dag met veel indrukken.
Maar nu ben ik thuis.
Ik ben veilig.
Ik heb eten.
Ik heb een bed.
Ik heb rust.
Dat is belangrijk.
Ik ga slapen.
De dag is klaar.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze