

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het was een rustige woensdagmiddag in Paramaribo toen Kwame voor het eerst hoorde dat Borger Breeveld was overleden.
Hij zat op het terras van een klein café in de buurt van het Onafhankelijkheidsplein, met een glas limonade voor zich en een oude krant op tafel.
Zijn telefoon trilde.
Een bericht van zijn zus: 'Heb je het al gehoord?
Borger is er niet meer.' Kwame legde zijn telefoon neer en keek naar de straat.
Een paar kinderen speelden met een bal.
Een vrouw liep voorbij met een mand vol groenten.
Het leven ging gewoon door, zoals altijd.
Maar voor Kwame voelde deze middag anders.
Hij was opgegroeid met de verhalen over Borger Breeveld.
Zijn moeder had hem als kind meegenomen naar een vertoning van de film Wan Pipel, de beroemde Surinaamse film uit 1976.
Kwame was toen nog maar acht jaar oud, maar hij herinnerde zich nog goed hoe hij in de donkere zaal had gezeten, met grote ogen naar het scherm had gekeken en voor het eerst een Surinaams gezicht had gezien dat zo groot en zo krachtig op het witte doek verscheen.
Borger Breeveld speelde de hoofdrol in die film, en hij deed dat op een manier die Kwame nooit meer was vergeten.
'Waarom huil je niet?' had zijn zus hem later gevraagd, toen ze na de film naar huis liepen.
'Ik huil niet,' had Kwame geantwoord, 'maar ik voel wel iets.
Iets wat ik niet goed kan beschrijven.' Zijn moeder had hem toen bij de schouder gepakt en gezegd: 'Dat is wat goede kunst doet.
Het raakt je op een plek waar woorden niet komen.' Nu, tientallen jaren later, begreep Kwame wat ze had bedoeld.
Borger Breeveld was niet zomaar een acteur geweest.
Hij was iemand die had laten zien dat Surinaamse verhalen de moeite waard waren om te vertellen.
In een tijd dat Surinaamse films nauwelijks werden gemaakt en Surinaamse acteurs zelden de kans kregen om grote rollen te spelen, had Breeveld dat toch gedaan.
Hij had zijn werk serieus genomen, zijn personages met zorg neergezet en zijn publiek nooit onderschat.
Kwame stond op en liep langzaam door de straat.
Hij dacht aan de manier waarop Breeveld had gespeeld: rustig, beheerst, maar met een diepte die je pas later begreep.
Je zag het niet meteen, maar na afloop bleef het bij je hangen.
Dat was misschien wel het moeilijkste wat een acteur kon doen.
Bij een kleine boekwinkel bleef hij staan.
In de etalage lag een oud tijdschrift met een foto van Breeveld erop.
De eigenaar van de winkel, een oudere man met een bril op het puntje van zijn neus, stond in de deuropening.
'Kende jij hem?' vroeg de man.
'Niet persoonlijk,' zei Kwame.
'Maar ik heb zijn werk gezien.
Als kind al.' De man knikte.
'Hij heeft iets gedaan wat weinig mensen lukt.
Hij heeft ons trots gemaakt op onze eigen verhalen.
Dat is niet niks.' Kwame liep verder, langs de markt waar het rook naar specerijen en vers fruit, langs de rivier die in het late middaglicht glinsterde.
Hij dacht aan wat de man had gezegd.
Trots op je eigen verhalen.
Dat was precies wat Breeveld had gegeven, niet alleen aan Suriname, maar aan iedereen die zich soms afvroeg of zijn verhaal wel de moeite waard was.
Thuis die avond zette Kwame zijn laptop aan en zocht naar fragmenten van Wan Pipel.
Hij keek ernaar met een kop thee in zijn handen en het geluid van de avond buiten zijn raam.
Ergens in de verte klonk muziek.
Hij keek naar het scherm en dacht: dit blijft bestaan.
Zolang mensen naar deze film kijken, is Borger Breeveld er nog.
Dat was een troostende gedachte.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze