

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Vandaag praten we over een meisje, een dagboek en acht kleine kamers boven een pakhuis in Amsterdam.
Je kent haar naam waarschijnlijk al.
Ze heet Anne Frank.
Miljoenen mensen hebben haar woorden gelezen in meer dan zeventig talen.
Maar vandaag wil ik je meenemen naar de plek zelf, naar de geluiden, de geuren en de angst die achter die boekenkast woonde.
Want taal leren is niet alleen grammatica.
Taal leren is ook luisteren naar de verhalen van het land waar je de taal van wil spreken.
En dit verhaal?
Dit verhaal hoort bij Nederland.
Anne Frank werd geboren in Frankfurt in Duitsland in 1929.
Haar familie was Joods.
In 1933 kwam Adolf Hitler aan de macht.
Het leven voor Joodse families werd snel gevaarlijk.
Dus de familie Frank vluchtte naar Amsterdam.
Anne was toen nog een klein meisje.
Ze leerde Nederlands, ze ging naar school, ze maakte vriendinnen.
Ze hield van lezen, van schrijven, van filmsterren.
Een heel gewoon meisje eigenlijk.
Maar in mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen.
Langzaam veranderde alles.
Joodse mensen mochten niet meer naar bepaalde winkels.
Ze mochten niet meer naar het zwembad.
Ze moesten een gele ster dragen op hun jas.
En toen, op 12 juni 1942, kreeg Anne een cadeau voor haar dertiende verjaardag.
Een dagboek.
Een rood en wit geruit boekje.
Ze noemde het Kitty.
Ze begon meteen te schrijven.
Drie weken later, op 6 juli 1942, moest de familie onderduiken.
Ze verhuisden naar een geheime schuilplaats boven het kantoor van Annes vader, Otto Frank.
Dat kantoor stond aan de Prinsengracht 263, vlak bij de Westerkerk.
Achter een gewone deur op de eerste verdieping lag iets bijzonders.
Een boekenkast.
En achter die boekenkast een geheime trap.
En achter die trap acht kleine kamers.
Dat was het achterhuis.
In die kamers woonden acht mensen, meer dan twee jaar lang.
De familie Frank, Otto, Edith, Margot en Anne.
De familie van Pels met hun zoon Peter.
En later nog een tandarts, Fritz Pfeffer.
Acht mensen op een paar vierkante meter.
Ze mochten overdag geen geluid maken, want beneden werkten de mensen in het pakhuis.
Dus fluisterden ze.
Ze liepen op sokken.
Ze trokken het toilet pas door als de werknemers naar huis waren.
Stel je dat eens voor.
Twee jaar lang.
Geen buitenlucht.
Geen zon op je huid.
Geen vriend om mee af te spreken.
Anne schreef alles op.
Haar ruzies met haar moeder.
Haar eerste liefde, Peter.
haar dromen om schrijfster of journalist te worden, haar angst natuurlijk, maar ook haar hoop.
En dat is het mooie van haar dagboek.
Het is niet alleen een verhaal over oorlog, het is ook een verhaal over opgroeien, over ontdekken wie je bent, over gevoelens die jij misschien ook hebt gehad toen je dertien, veertien, vijftien was.
Dan komt de ochtend van 4 augustus 1944.
1944.
Laat ik je meenemen, heel even, naar die dag.
Het is warm in Amsterdam.
Een vrijdag, ergens tussen tien en elf uur in de ochtend.
In het achterhuis is het stil.
Anne zit waarschijnlijk op haar kamer, met een boek of haar dagboek op schoot.
Haar vader geeft Peter les in Engels.
Beneden, in het pakhuis, werken de mannen.
Buiten schijnt de zon op het water van de gracht.
Een fietsbel, een bootje op de Prinsengracht, een gewone ochtend.
Dan stopt er een auto, voetstappen op de stoep, de deurbel.
Mannen in uniform komen binnen.
Het is de Sicherheitsdienst, de SD, de Duitse Veiligheidsdienst, met een paar Nederlandse handlangers.
Ze weten precies waar ze moeten zijn.
Iemand heeft verraad gepleegd.
Wie?
Dat weten we tot vandaag niet zeker.
De mannen lopen de trap op.
Hun laarzen maken een zwaar geluid op het oude hout.
Tik, tok, tik, tok.
In het achterhuis bevriest iedereen.
Anne hoort het.
Haar hart bonkt in haar keel.
Ze kijkt naar Margot.
Geen woord.
Een Oostenrijkse officier, Karl Silberbauer, staat voor de boekenkast.
Hij kijkt.
Hij aarzelt niet.
Hij schuift de kast opzij.
De geheime deur gaat open.
Koele, bedompte lucht komt hem tegemoet.
Hij klimt de smalle trap op.
Boven staan de acht onderduikers.
Bleek, mager, stil.
Silberbauer richt zijn pistool.
Hij zegt in het Duits, Inpakken, snel.
Anne pakt niets bijzonders mee.
Haar dagboek laat ze achter, op de grond.
Papier, verspreid als herfstbladeren.
Niemand kijkt nog om.
Dan is het stil in het achterhuis.
Voor altijd.
Anne, haar familie en de andere onderduikers werden naar Westerbork gebracht, een doorgangskamp in Drenthe.
Daarna gingen ze in een veewagen naar Auschwitz.
Margot en Anne werden later naar Bergen-Belsen gestuurd.
Daar stierven ze, in februari of maart 1945, waarschijnlijk aan tyfus.
Anne was 15 jaar oud.
Het kamp werd een paar weken later bevrijd door Britse soldaten.
Van de acht onderduikers overleefde alleen Otto Frank, Annes vader.
Hij kwam terug naar Amsterdam.
En toen gebeurde er iets bijzonders.
Miep Gies, een van de mensen die de familie geholpen had, gaf hem iets.
Ze gaf hem de papieren die ze van de vloer had opgeraapt, die ochtend na de inval.
Annes dagboek.
Otto las het.
Hij huilde.
Hij zag zijn dochter, levend, in elke zin.
En hij besloot het te delen met de wereld.
In 1947 werd het dagboek voor het eerst uitgegeven.
Nu is het een van de belangrijkste boeken van de 20ste eeuw.
Het huis aan de Prinsengracht is vandaag een museum.
Elk jaar komen er meer dan een miljoen bezoekers.
Misschien ben jij er ook al geweest.
En zo niet?
Ga eens.
Sta stil bij die boekenkast.
Klim die smalle trap op.
Voel de muren.
Het is een plek waar stilte harder spreekt dan woorden.
Waarom vertel ik je dit verhaal?
Omdat taal meer is dan losse woordjes.
ENAls je Nederlands leert, leer je ook Nederland kennen.
De mooie kanten, maar ook de donkere.
Anne schreef, ondanks alles, deze zin.
Ik geloof nog steeds in het innerlijke goed van de mens.
Dat zijn sterke woorden, geschreven door een meisje in een verborgen kamer met de oorlog om haar heen.
Als zij dat kon geloven, kunnen wij dat misschien ook.
En misschien als jij vanavond je eigen les doet, je eigen zin schrijft, je eigen woord leert.
Denk je heel kort aan haar.
Aan dat rood en wit geruite boekje.
Aan een meisje dat schreef omdat ze dacht dat niemand het ooit zou lezen.
En nu lezen we het.
Samen.
Tachtig jaar later.
In meer dan zeventig talen.
Drie woorden om te onthouden.
Onderduiken.
To go into hiding.
ENVoorbeeldzin.
In de oorlog moesten veel mensen onderduiken om te overleven.
Boekenkast.
Bookcase.
Voorbeeldzin.
Achter de boekenkast lag een geheime trap naar het achterhuis.
Dagboek.
Diary.
Voorbeeldzin.
Anne schreef bijna elke dag in haar dagboek aan haar vriendin Kitty.
Een vraag voor jou.
Hoeveel mensen woonden er samen in het achterhuis?
A.
ENZes mensen.
Tot de volgende aflevering van Nederland in Verhalen.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze