

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
In de auto. Het is 7 uur. Het is vroeg. Jan gaat naar zijn werk. Hij rijdt in de auto. De auto is grijs.
De auto is groot. Jan rijdt. hij kijkt naar de weg. Hij ziet veel auto's. Er zijn veel mensen. Het is druk op de weg.
Jan ziet een vrouw in een auto. De vrouw praat. Maar met wie praat zij? Jan kijkt. De vrouw heeft een telefoon.
Zij belt iemand. Om 7 uur. Jan rijdt verder. Hij ziet een man in een auto. De man praten ook. De man
heeft ook een telefoon. Hij belt ook iemand. Om 7 uur. Jan denkt. Hij denkt veel. Wie belt de vrouw?
Wie belt de man? Jan belt nooit in de auto. Niet om 7 uur. Zijn vrouw slaap nog. Zij is thuis.
Zij slaap lekker. Jan belt zijn vrouw niet. Zij slaapt. Zijn collega's zijn op het werk.
Maar het werk begint om 8 uur. De collega's zijn er nog niet. Jan belt zijn collega's niet. Niet om 7 uur. Jan
rijdt verder. Hij ziet nog een man. Deze man praten heel hard. Heel heel hard. De man lacht ook. Hij lacht
hard. Om 7 uur. Wie is zo blij om 7 uur? Jan is niet blij om 7 uur. Jan drinkt koffie in de auto.
Koffie is goed. Koffie is lekker. Maar Jan praten niet. Jan belt niet. Jan rijdt. Nu ziet Jan een vrouw.
Zij praten ook in de auto. Zij praten met een kind. Het kind is thuis. Het kind gaat naar school.
De vrouw belt het kind. Ah, dat is logisch. Jan rijdt naar het werk. Hij denkt nog steeds. Wie
belt al die mensen om 7 uur? Jan weet het niet. Jan belt niemand. Jan drinkt zijn koffie. De koffie is
warm. De koffie is lekker. Het werk is dichtbij. Jan stopt de auto. Hij stapt uit. Hij gaat naar binnen.
Zijn collega Hans is er al. Hans heeft een telefoon in zijn hand. Bel jij ook in de auto Hans?
Vraagt Jan. Ja, zegt Hans. Ik bel mijn moeder. Jan lacht. Natuurlijk. De moeder.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze