

0:00
0:002:44
In de auto. Het is 7 uur. Het is vroeg. Jan gaat naar zijn werk. Hij rijdt in de auto. De auto is grijs.
De auto is groot. Jan rijdt. Hij kijk naar de weg. Hij ziet veel auto's. Er zijn veel mensen. Het is druk op de weg.
Jan ziet een vrouw in een auto. De vrouw praat. Maar met wie praat zij? Jan kijkt. De vrouw heeft een telefoon.
Zij belt iemand. Om 7 uur. Jan rijdt verder. Hij ziet een man in een auto. De man praten ook. De man
heeft ook een telefoon. Hij belt ook iemand. Om 7 uur. Jan denkt. Hij denkt veel. Wie belt de vrouw?