

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo.
Ik ben Rick.
Ik ben een man.
Ik werk in Den Haag.
Den Haag is een stad.
Ik werk op een school.
De school is groot.
Ik zie drie mannen.
De mannen werken hier.
Ze zijn ook leraar.
De mannen zijn Victor, Cees en Daan.
Victor is een man.
Cees is een man.
Daan is een man.
Ze zeggen veel.
Ze zeggen dingen over de school.
Ze zeggen dingen over kinderen.
Er komen nieuwe kinderen.
De kinderen komen naar school.
Ze komen uit een ver land.
Het land is ver.
Het land is warm.
De kinderen komen hier.
Ze komen hier voor school.
Ze gaan hier spelen.
Cees is blij.
Cees zegt: 'Leuk!' Daan is ook blij.
Daan zegt: 'Heel leuk!' Cees en Daan zijn blij.
De kinderen komen.
Dat is goed.
Ze hebben een boek.
Ze gaan lezen.
Maar Victor is niet blij.
Victor kijkt boos.
Victor heeft een vraag.
Hij heeft veel vragen.
Hij zegt: 'Hoe komen ze?' Hij zegt: 'Waar slapen ze?' Hij zegt: 'Wat eten ze?' Victor kijkt naar Cees.
Cees kijkt naar Victor.
Cees zegt: 'Ze komen met de bus.' Daan zegt: 'Ze slapen in een huis.' Cees zegt: 'Ze eten brood.' Daan zegt: 'Ze drinken water.' Victor kijkt naar Cees.
Victor kijkt naar Daan.
Victor zegt: 'Oh.' Victor zegt: 'Brood is goed.' Victor zegt: 'Water is goed.' Victor zegt: 'Een huis is goed.' Victor is nu niet boos.
Victor is nu een beetje blij.
De school gaat open.
De nieuwe kinderen komen.
Ik zie een kind.
Het kind is een meisje.
Zij is Lisa.
Lisa is nieuw.
Lisa komt uit het land.
Het land is ver.
Lisa heeft een tas.
De tas is geel.
Lisa heeft een jas.
De jas is rood.
Lisa loopt naar binnen.
Lisa ziet Victor.
Lisa ziet Cees.
Lisa ziet Daan.
Lisa zegt: 'Hallo.' Victor zegt: 'Hallo Lisa.' Cees zegt: 'Hallo Lisa.' Daan zegt: 'Hallo Lisa.' Lisa is blij.
Victor is blij.
Cees is blij.
Daan is blij.
De mannen zijn blij.
Ze gaan de klas in.
De klas is groot.
De klas is mooi.
Lisa is in de klas.
Lisa heeft een boek.
Het boek is blauw.
Lisa gaat lezen.
Victor gaat naar Lisa.
Victor is een goede man.
Het is tijd voor spelen.
De kinderen gaan spelen.
Ze spelen buiten.
Ze spelen met een bal.
De bal is rood.
De bal is groot.
Lisa speelt mee.
Lisa speelt met de bal.
Victor speelt met de bal.
Het is leuk.
Ze gaan eten.
Lisa eet een appel.
De appel is rood.
De appel is lekker.
Victor eet brood.
Het brood is bruin.
Cees eet ook brood.
Daan drinkt water.
Ze eten en drinken.
Het is leuk.
De dag is klaar.
De school is klaar.
Lisa gaat naar huis.
Lisa loopt naar de bus.
De bus is groot.
De bus is geel.
Lisa gaat in de bus.
Lisa zegt doei.
Victor zegt doei.
Cees zegt doei.
Daan zegt doei.
Morgen is er weer school.
Morgen komt Lisa weer.
Morgen gaan ze weer lezen.
Morgen gaan ze weer spelen.
Het is een goede dag.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze