

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Er is een man, de man werkt. Maar vandaag werkt de man niet op zijn werk. De man werkt thuis.
Thuiswerken is goed. De man heeft een vrouw, de vrouw werkt ook.
Maar de vrouw kan niet thuis werken.
Zij werkt in het ziekenhuis.
Ze is een belangrijke vrouw in het ziekenhuis.
Vandaag is het slecht weer. Het is moeilijk om te komen.
De vrouw heeft lang in de auto gezeten. Ze komt laat in het ziekenhuis.
De vrouw is boos en verdrietig.
Ze heeft veel werk in het ziekenhuis. De man ziet de vrouw. De vrouw is moe.
De man is ook boos. Hij zegt, ik werk thuis.
Jij kan niet thuis werken. Maar andere mensen kunnen thuis werken.
De man heeft een idee. Hij schrijft een verhaal. Hij zegt, werk als je blijft thuis als dat kan.
De man wil dat andere mensen ook thuis werken.
Dan heeft de vrouw minder problemen. De man stuurt het verhaal.
Veel mensen lezen het verhaal. Ze zeggen, ja, wij kunnen thuis werken. Wij gaan thuis werken.
De man is blij. Hij denkt, nu is het beter voor de vrouw. De vrouw komt thuis.
Ze is moe, maar ze is ook blij. Ze ziet de man. Ze zegt, dank je.
Je hebt goed werk gedaan. De man is blij. Hij zegt, ik doe het voor jou.
Voor jou en voor het ziekenhuis. Thuis werken is goed. Het is goed voor de man.
Het is goed voor de vrouw. Het is goed voor het ziekenhuis.
De man en de vrouw zijn blij. Ze zeggen, dank je, voor het thuis werken.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze