

Audio1x
Snelheid
Oefenen
Woordenschat
Het is al laat in de middag en de regen tikt zacht tegen het raam.
Je zit in je favoriete stoel, dicht bij de verwarming.
De kamer is warm en het licht is laag, alleen een kleine lamp naast je brandt.
Buiten zie je de druppels langs het glas glijden.
Ze maken geen haast.
Ze volgen hun eigen weg, langzaam naar beneden.
Je volgt er een met je ogen, van boven tot onder, en dan begint het weer opnieuw.
Je adem is rustig.
Je hoeft niets te doen.
De dag is voorbij en de avond ligt voor je, zacht en open.
Je handen rusten op je schoot en je voelt de stof van je broek onder je vingers.
Het is een bekend gevoel, veilig en stil.
Binnen is het droog.
De regen blijft buiten, het geluid is als een verre vriend die zachtjes praat.
Je luistert ernaar zonder echt te luisteren.
Het vult de kamer met een ritme dat je kent, diep van binnen.
Je kijkt naar de kamer om je heen.
De boekenkast staat stil tegen de muur.
De plant op de vensterbank buigt een beetje naar het licht.
Alles staat op zijn plek.
Er is geen haast hier.
Er is alleen dit moment, waarin je zit en ademt.
Je voelt je schouders zakken, een klein beetje maar.
Je nek wordt vrijer.
Je hoeft niets vast te houden.
De gedachten van de dag glijden langzaam weg, als druppels op het glas.
Ze komen, ze gaan, en jij blijft zitten.
De kamer ruikt naar droog hout en een vleugje koffie van vanochtend.
Het is een geur die thuis betekent.
Je haalt eens diep adem en laat de lucht weer gaan.
Je mond is ontspannen, je kaken zijn los.
Buiten wordt het donkerder.
De lantaarn aan de straat begint te gloeien, zacht oranje door de regen heen.
Je ziet het licht op het natte pad vallen.
Het weerkaatst een beetje, als een stille spiegel op de grond.
Je blijft zitten.
Je hoeft niet op te staan.
De avond vraagt niets van je.
Je mag hier zijn, precies zoals je bent, in deze warme kamer met de regen buiten.
Je hand gaat langzaam naar de leuning van je stoel.
Je vingers voelen het hout, glad en koel.
Je laat je hand daar liggen.
Het is genoeg.
Dit is genoeg.
Je ogen worden zwaarder, maar je hoeft ze niet open te houden.
Je mag ze sluiten.
Je hoort de regen nog steeds, dichterbij nu, alsof het dak het zachtjes opvangt.
De druppels vinden hun weg over de pannen, naar de goot, naar de grond.
Je adem wordt dieper, vanzelf.
Je borst gaat omhoog en weer omlaag, langzaam.
Je voelt je hart kloppen, rustig en gelijkmatig.
Het is er, het hoort bij je, en het heeft geen haast.
De lamp naast je zoemt heel zacht, een laag geluid dat je bijna niet hoort.
Het is er wel, als een vaste ondergrond.
Je laat jezelf zakken in dat geluid, in het tikken van de regen, in de warmte van de kamer.
Buiten rijdt ergens een auto door de natte straat.
Het geluid komt en gaat, als een golf die zich terugtrekt.
Je hoeft er niets mee te doen.
Het is alleen geluid, en jij bent hier binnen.
Je opent je ogen weer een klein stukje.
Het licht van de lamp maakt lange schaduwen op de muur.
De plant werpt een zacht silhouet.
Je kijkt ernaar zonder te denken.
Je laat je blik rusten, zomaar, op de vormen om je heen.
De regen wordt minder.
De druppels tikken nu losser, alsof ze bijna klaar zijn.
Je hoort het ritme veranderen, maar het blijft zacht.
Het blijft veilig.
Je zit nog steeds in je stoel.
Je voeten staan plat op de grond.
Je handen liggen weer in je schoot.
Je bent klaar voor de avond.
Je bent klaar om hier te blijven, in deze stilte, met de regen die langzaam wegglijdt en het licht dat je omhult.
Je adem wordt nog rustiger.
Je laat je hoofd een beetje zakken.
Je nek is vrij, je schouders zijn laag.
Dit is een goed moment.
Dit is een rustig moment.
Je mag het hebben.
Je hoofd blijft een beetje naar voren hangen.
Het is geen moeheid.
Het is meer een vorm van loslaten.
Je laat je kin rusten op de ruimte boven je borst.
Je ogen zijn half gesloten.
Je ziet de vloer van de trein, het grijs van het tapijt, de lijn van de stoel voor je.
Alles is dichtbij.
Alles is klein en overzichtelijk.
Buiten is de wereld nog steeds aanwezig.
Je hoort het niet meer als geluid.
Je voelt het meer als een beweging.
De trein glijdt door de duinen, maar de duinen zijn niet scherp.
Ze zijn rond en zacht, als dekens die over de aarde liggen.
Het gras buigt mee met de wind.
Je ziet het niet, maar je weet het.
Je hoeft het niet te zien.
Je hoeft alleen maar te weten dat het er is, dat het beweegt, dat het leeft op zijn eigen rustige manier.
De lamp boven je maakt een heel zacht zoemen.
Het is geen storend geluid.
Het is meer een herinnering aan stilte.
Je luistert ernaar en het wordt een deel van de kamer.
Het wordt een deel van jouw adem.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Het zoemen blijft hetzelfde.
Het is een vaste plek in de tijd.
Je handen liggen nog steeds in je schoot.
Je vingers zijn ontspannen.
Ze krullen niet.
Ze liggen gewoon open, als bladeren die rusten op het water.
Je kijkt ernaar zonder echt te kijken.
Je ziet de lijnen op je handpalmen.
Je ziet de zachte kleur van je huid.
Het is allemaal gewoon.
Het is allemaal goed.
De regen is nu bijna weg.
Je hoort nog een enkele druppel tegen het raam.
Het klinkt als een vraag die geen antwoord nodig heeft.
De druppel loopt langzaam naar beneden.
Je volgt hem niet met je ogen.
Je laat hem gaan.
Je laat hem zijn eigen weg vinden.
De trein maakt een bocht.
Het is een heel lichte beweging.
Je lichaam gaat mee, maar je spant niets aan.
Je schouders blijven laag.
Je heupen blijven zacht.
De bocht is als een hand die je even vasthoudt en weer loslaat.
Je bent weer recht.
Je bent weer stil.
Je denkt aan de duinen.
Je ziet ze voor je, hoewel je ze niet hoeft te zien.
Ze zijn hoog en dan weer laag.
Ze zijn bedekt met helmgras dat beweegt in de wind.
Er is geen haast.
Er is geen doel.
De duinen zijn er gewoon, al duizenden jaren, en ze wachten op niets.
Ze zijn een goed voorbeeld.
Ze zijn een goede plek om te zijn.
Je adem wordt nog langzamer.
Je borst gaat omhoog en weer omlaag.
Het is een klein ritme.
Het is jouw ritme.
Je hoeft er niets aan te doen.
Het gebeurt vanzelf.
Het is als het licht dat door het raam valt, zacht en gelijkmatig.
Het is als de warmte van de stoel onder je, die je vasthoudt zonder te knellen.
Je bent hier.
Je bent in deze trein.
Je bent in deze stoel.
Je bent in deze stilte die langzaam groter wordt.
De wereld buiten wordt vager.
De lijnen worden zachter.
De kleuren worden minder.
Je hoeft niets te onthouden.
Je hoeft niets vast te houden.
Je laat je ogen helemaal dichtvallen.
Het is donker, maar het is een warm donker.
Het is een donker dat je kent.
Het is een donker dat je omarmt.
Je hoort het zoemen van de lamp.
Je hoort het tikken van de laatste druppels.
Je hoort de trein die verder glijdt, maar het is allemaal ver weg.
Het is allemaal achter glas.
Je bent klaar voor dit moment.
Je bent klaar voor de stilte die nu helemaal binnen is.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Je bent hier.
Je blijft hier.
En dat is genoeg.
En dat is genoeg.
De trein glijdt verder door het zachte licht van de middag.
Buiten zijn de duinen nu dichterbij gekomen, hun randen rond en stil als slapende dieren.
Je voelt de beweging niet echt meer.
Het is meer een wiegen, een langzaam heen en weer dat je lichaam kent.
Het is een ritme dat geen begin heeft en geen einde.
Het is er gewoon.
Je handen liggen los op je schoot.
Je vingers zijn ontspannen, licht gebogen alsof ze een heel zacht geheim vasthouden.
Maar er is geen geheim.
Er is alleen dit moment.
Er is alleen de stof van je broek onder je vingertoppen, warm en gewoon.
Je ademt langzaam in door je neus.
Je ademt langzaam uit door je mond.
De lucht is koel en stil.
Buiten glijdt een stukje gras voorbij, dan een stukje zand, dan een paar lage struiken die buigen in de wind.
Je ziet het niet echt.
Je voelt het meer, alsof de beelden door je heen gaan zonder te blijven.
De wereld wordt steeds vager, steeds zachter, steeds verder weg.
En dat is goed.
Dat is precies goed.
Je hoofd rust tegen het raam.
Het glas is koel, maar het wordt snel warm van jouw huid.
Je voelt de kleine trilling van de trein door je wang gaan, maar het is geen trilling die stoort.
Het is een zoem, een laag geluid dat je wiegt.
Het is als het geluid van een verre bij in een zomer die je niet meer hoeft te kennen.
De lamp boven je maakt een heel zacht geluid.
Je hoort het nu duidelijker, maar het is geen geluid dat vraagt om aandacht.
Het is een geluid dat er gewoon is, als een oude vriend die naast je zit zonder te praten.
Je hoort ook je eigen ademhaling.
Het is een rustig geluid, gelijkmatig, als het tikken van een klok die geen haast heeft.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De stilte wordt dikker, maar het is geen dikte die drukt.
Het is een dikte die draagt.
Je benen zijn zwaar.
Je armen zijn zwaar.
Je schouders zakken langzaam naar beneden, alsof ze eindelijk mogen rusten.
Je voelt de stoel onder je, stevig en warm.
De stoel houdt je vast zonder te knellen.
Het is een omhelzing die je niet hoeft te beantwoorden.
Je hoeft alleen maar te zitten.
Je hoeft alleen maar te zijn.
De duinen blijven komen en gaan.
Soms is er een stukje zee tussen de heuvels, een glinstering die even oplicht en weer verdwijnt.
Het is als een herinnering die je niet hoeft vast te houden.
Het is er, en dan is het weg.
En dat is genoeg.
Je ogen zijn dicht.
Je ogen zijn heel zwaar, maar het is een prettige zwaarte.
Het is een zwaarte die je laat zakken, dieper en dieper, als een blad dat langzaam naar de grond drijft.
Je hoort iemand hoesten, heel ver weg, misschien twee wagons verder.
Het geluid komt je niet bereiken.
Het blijft hangen in de ruimte tussen jou en de rest.
Je hoeft er niets mee te doen.
Je hoeft alleen maar te blijven zitten in deze warmte, in dit donker, in deze stilte die nu helemaal van jou is.
De trein vertraagt een klein beetje.
Je voelt het in je buik, een zachte verschuiving.
Maar het is geen stoppen.
Het is alleen een moment van rust, een inademing van de reis zelf.
Dan glijdt de trein weer verder, langzaam en gelijkmatig.
Je ademt mee met de beweging.
Je ademt in als de trein vooruitgaat.
Je ademt uit als de trein rustig blijft.
En zo blijf je, minuut na minuut, zonder te tellen.
Je bent hier.
Je bent in deze stoel.
Je bent in deze trein die door de duinen glijdt.
De wereld buiten is er nog, maar hij is niet belangrijk meer.
Hij is als een schilderij dat je ooit hebt gezien en nu vaag wordt.
Je hoeft het niet te begrijpen.
Je hoeft het niet te onthouden.
Je hoeft alleen maar te rusten in dit zachte, warme donker dat je omarmt.
Je ademt in.
Je ademt uit.
En dat is genoeg.
En dat is genoeg.
De trein zoeft verder door de duinen, maar je voelt het niet meer als beweging.
Het voelt meer als een zachte wieging, zoals een boot die rustig op het water ligt.
Buiten is het donker geworden.
Niet het donker van de nacht, maar een zacht, diep donker dat alles bedekt met een warme deken.
De lichten in de trein zijn gedimd.
Ze geven een gouden gloed die op je handen valt, op je schoot, op de lege stoel naast je.
Je kijkt naar je handen.
Ze liggen stil op je benen.
Je ziet de lijnen in je huid, zacht en vertrouwd.
Je handen hebben vandaag al veel gedaan, maar nu hoeven ze niets meer te doen.
Ze mogen rusten.
Je laat je schouders een beetje zakken.
Je voelt hoe de spanning uit je nek wegvloeit, langzaam, als water dat wegzakt in de grond.
Je hoofd is licht.
Je gedachten worden minder en minder.
Ze worden kleiner, zachter, als stippen aan de rand van een groot rustig veld.
De trein maakt een geluid.
Het is niet luid.
Het is een zacht, ritmisch geluid, als een hartslag van iets groots en goeds.
Het herhaalt zich steeds opnieuw.
Het is er altijd, maar je hoort het pas nu.
Het is een geluid dat je geruststelt.
Het zegt niets.
Het vraagt niets.
Het is er gewoon, en dat is meer dan genoeg.
Buiten zie je een heel klein lichtje.
Het is ver weg, misschien een huisje tussen de duinen.
Het lichtje is klein en geel en het blijft even hangen in je blik.
Dan is het weg, voorbij, opgelost in het donker.
Je hoeft er niet naar te zoeken.
Je hoeft niets te volgen.
Alles mag komen en gaan.
Jij blijft hier, in je stoel, in je warmte, in je rust.
Je ademt in en je voelt de lucht door je neus naar binnen stromen.
Het is koel en schoon.
Je ademt uit en je voelt hoe je lichaam nog een beetje dieper in de stoel zakt.
De stof van de stoel is zacht tegen je wang.
Je hebt je hoofd een beetje schuin gelegd, zonder dat je het merkte.
Het ligt nu tegen de rugleuning.
Het is een goede plek.
Het is een plek die voor jou gemaakt lijkt.
De trein glijdt door een kleine bocht.
Je voelt het in je zij, een heel lichte druk.
Dan is de trein weer recht en glad.
De beweging is als een ademhaling van de aarde zelf.
Je mag meebewegen.
Je mag stil zijn.
Je mag alles loslaten wat je vandaag hebt vastgehouden.
Je hoeft het niet weg te gooien.
Je hoeft het alleen maar neer te zetten, naast je, op de grond.
Het kan daar blijven.
Het kan wachten.
Jij hoeft nu niet te dragen.
Je ogen zijn half gesloten.
Je ziet de wereld door een zachte waas.
De stoelen voor je zijn leeg.
Het gangpad is stil.
Er is niemand die iets nodig heeft.
Er is niemand die iets vraagt.
Je bent alleen met het geluid van de trein en het ritme van je eigen adem.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De trein glijdt.
De duinen zijn er nog, maar je ziet ze niet meer.
Je voelt ze alleen, als een groot, zacht landschap dat je beschermt.
Je bent veilig.
Je bent warm.
Je bent hier.
En dat is alles wat je nu hoeft te zijn.
En dat is genoeg.
Het is genoeg om hier te zijn, in deze trein, tussen de duinen.
De wereld buiten is grijs en zacht.
De lucht hangt laag boven de heuvels, als een deken die langzaam naar beneden komt.
Het licht is niet fel.
Het is een licht dat je ogen niet stoort.
Het is een licht dat je toestaat om te kijken of juist om weg te kijken.
Beide is goed.
Voor het raam zie je een klein pad.
Het loopt tussen twee duinen door.
Er loopt niemand op het pad.
Het pad is er gewoon.
Het hoeft niets te doen.
Het ligt daar, stil, onder de lucht.
Je ogen volgen het pad een stukje en dan laat je het los.
Je kijkt weer naar binnen, naar je eigen handen op je schoot.
Je handen zijn ontspannen.
Je vingers zijn licht gebogen.
Je hoeft ze niet te bewegen.
Ze mogen rusten.
De trein maakt een klein geluid, een zacht klikken, alsof de wielen iets tegen elkaar zeggen.
Het is geen haastig geluid.
Het is een geluid dat je kent.
Het komt en het gaat.
Het komt weer terug.
Je hoeft er niet naar te luisteren, maar je mag het wel horen.
Het is een geluid dat bij je blijft, als een oude vriend die naast je loopt zonder te praten.
Je voelt de warmte van de verwarming onder de bank.
Het is een droge, lage warmte.
Het komt omhoog langs je benen.
Het maakt je zwaarder.
Niet op een vervelende manier.
Het maakt je zwaarder zoals een boom zwaar is, stevig en rustig.
Je mag wegzakken in die warmte.
Je mag je schouders laten zakken.
Je kaken zijn los.
Je tong ligt stil in je mond.
Je ademt door je neus, langzaam, zonder dat je het hoeft te sturen.
Buiten zie je een stukje duin met helmgras.
Het gras beweegt heel licht, alsof de wind er zachtjes doorheen aaien.
Het gras is niet haastig.
Het buigt en het komt weer overeind.
Het doet dat al heel lang.
Het zal dat nog heel lang doen.
Jij hoeft dat niet te doen.
Jij hoeft alleen maar te zitten.
De trein draagt je.
Het gras staat stil.
Het gras beweegt.
Alles mag er zijn.
Je ogen worden zwaarder.
Je laat ze half dichtvallen.
Het beeld van buiten wordt een vlek, een grote zachte vlek van zand en lucht.
Het is mooi om zo te kijken.
Het is alsof je kijkt door een raam van dromen.
Je hoeft niets scherp te zien.
Je hoeft niets te begrijpen.
Je hoeft alleen maar te laten komen wat er komt.
En wat er komt is rust.
Het komt van de duinen.
Het komt van de wielen.
Het komt van je eigen adem die langzaam in en uit gaat.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De trein glijdt verder.
De duinen zijn er nog, groot en stil.
Ze houden je vast zonder je aan te raken.
Ze laten je gaan zonder je los te laten.
Je bent veilig.
Je bent warm.
Je bent hier.
En dat is alles wat je nu hoeft te zijn.
En dat is genoeg.
De trein zingt zijn eigen lied, een laag geluid dat onder je huid kruipt.
Het is geen muziek.
Het is meer het geluid van de wereld die even stopt met praten.
Je hoort het metaal over de rails glijden, een lang, zacht sissen.
Het klinkt als regen die op een raam valt, maar dan dieper.
Je laat je hoofd een klein beetje naar de zijkant leunen.
Het raam is koel tegen je slaap.
Het is een prettige koelte, niet koud, gewoon een rustige aanwezigheid.
Buiten wordt het licht zachter.
De zon staat lager, of misschien is er een wolk voor geschoven.
Je weet het niet precies.
Het maakt ook niet uit.
Het licht wordt gewoon minder fel, en dat voelt goed.
De duinen worden langzaam donkerder, van zandgeel naar een warm grijs.
De helmgrassen buigen mee met een wind die je niet voelt.
Ze doen het al zo lang.
Ze weten hoe het moet.
Ze buigen, ze komen weer omhoog, en ze buigen opnieuw.
Het is een ritme zonder haast.
Je kijkt ernaar en je eigen schouders zakken nog een stukje lager.
Je handen liggen los op je schoot.
Je vingers zijn ontspannen, een beetje gebogen.
Je merkt dat je duim zachtjes over de stof van je broek beweegt.
Het is een kleine beweging, bijna vanzelf.
Het is alsof je lichaam ook mee wiegt met de trein.
De trein wiegt, de duinen wiegen, en jij wiegt mee.
Alles beweegt op dezelfde trage maat.
Er is geen haast in deze wereld.
Er is geen plek waar je moet zijn.
De trein weet de weg.
Jij hoeft alleen maar te zitten en te kijken naar het voorbijtrekken van de dag.
Een meeuw zweeft langs het raam.
Hij beweegt zijn vleugels bijna niet.
Hij laat zich dragen door de lucht, net zoals jij gedragen wordt door de trein.
De meeuw is wit en grijs, een vlek die even verschijnt en dan weer weg is.
Je volgt hem met je ogen tot hij klein wordt.
Dan is hij weg.
Maar het beeld blijft even hangen, als een zachte herinnering.
Je ademt in en je merkt dat de lucht in de trein een beetje naar zout smaakt.
Of misschien is het de herinnering aan de zee die dichtbij is.
De duinen ruiken naar zout, naar droog gras, naar ruimte.
Je sluit je ogen een moment en je ruikt het gewoon.
De trein vertraagt een heel klein beetje.
Niet veel, gewoon een zachte verandering in het geluid.
Het sissen wordt iets lager.
De wielen klinken anders, alsof ze over een bruggetje rijden.
Je opent je ogen weer en je ziet een klein stukje water naast de rails.
Het is een plas, of misschien een sloot.
Het water is stil en grijs.
Er ligt een tak in, heel dun, bijna als een lijn.
Je kijkt ernaar en je voelt je ogen weer zwaar worden.
Het is geen moeheid die je tegenhoudt.
Het is een moeheid die je toestaat om te rusten.
Het is een uitnodiging om even niets te doen.
Je laat je ogen half dichtvallen.
Het beeld van buiten wordt weer een vlek, maar nu is de vlek dieper van kleur.
Het zand is donker, de lucht is lichter, en alles loopt in elkaar over.
Het is als een deken die over de wereld ligt.
De duinen zijn er nog, groot en stil.
Ze houden je vast zonder je aan te raken.
Ze laten je gaan zonder je los te laten.
Je bent veilig.
Je bent warm.
Je bent hier.
De trein draagt je verder, de duinen blijven naast je.
En jij zit er rustig tussenin, ademend, kijkend, rustend.
Het is genoeg.
Het is precies genoeg.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De wielen zingen hun lage lied.
En jij laat het allemaal gebeuren.
De wielen zingen hun lage lied, en jij laat het allemaal gebeuren.
Het geluid is er altijd, maar het vraagt niets van je.
Het is er gewoon, als een zachte adem die onder de trein doorloopt.
Je hoort het niet meer echt.
Je voelt het meer.
Een trilling die door de bank gaat, door je benen, door je handen die los op je schoot liggen.
Buiten wordt het licht nog wat zachter.
De lucht is niet grijs meer, maar heel licht blauw, alsof de dag langzaam wegglijdt in de avond.
De duinen zijn nu dichter bij de trein.
Je ziet het gras bewegen, heel langzaam, heen en weer.
Het is alsof de wind door de halmen loopt en ze even aanraakt.
Je kijkt ernaar en je merkt dat je ademhaling nog langzamer wordt.
In.
En uit.
Het is geen moeite.
Het is gewoon wat je lichaam doet terwijl jij kijkt.
Er staat een klein huisje tussen de duinen, ver weg.
Het is wit, met een donker dak.
Er komt geen rook uit de schoorsteen.
Er is niemand te zien.
Het huisje staat er gewoon, stil en alleen.
Het hoeft niets te doen.
Het mag er zijn.
En jij mag er ook zijn, hier in de trein, kijkend naar dat kleine huisje dat steeds kleiner wordt.
Het verdwijnt niet echt.
Het wordt alleen kleiner, tot het een stip is, en dan is het weg.
Maar je weet dat het er nog is, achter de duinen.
Het is er nog, net als jij.
Je handen liggen nog steeds op je schoot.
Je voelt de stof van je broek onder je vingers.
Het is een zachte stof, een beetje geribbeld.
Je strijkt er langzaam overheen, zonder doel.
Het is een beweging die niets hoeft te betekenen.
Het is alleen een beweging om te voelen.
Je voelt de warmte van je eigen hand, de stof eronder, de stilte eromheen.
Het is allemaal dichtbij.
Het is allemaal zacht.
De trein gaat door een kleine bocht.
Je lichaam leunt heel even mee, en dan zit je weer recht.
De beweging is vloeiend, bijna alsof de trein je wiegt.
Je ogen zijn nog half open.
Je ziet de duinen weer, maar nu zijn ze wat lager.
Ze lijken te slapen.
De kleuren zijn dieper geworden.
Het zand is bijna bruin, het gras is donkergroen, en de lucht heeft een kleur die je niet goed kunt noemen.
Het is niet blauw en niet grijs.
Het is gewoon een kleur die rustig is.
Een kleur die bij de avond hoort.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De duinen blijven naast je, groot en stil.
Ze houden je vast zonder je aan te raken.
Ze laten je gaan zonder je los te laten.
Je bent veilig.
Je bent warm.
Je bent hier.
De trein draagt je verder, en jij laat je dragen.
Het is genoeg.
Het is precies genoeg.
Je laat je ogen nog wat meer zakken.
Het beeld van buiten wordt weer een vlek, maar nu is de vlek warm van kleur.
Alles loopt in elkaar over.
Het is als een deken die over de wereld ligt.
En jij zit eronder, zacht en stil, terwijl de wielen hun lage lied blijven zingen.
Je laat het allemaal gebeuren.
Je laat het allemaal zijn.
Het lied van de wielen is er nog.
Het is er altijd geweest, al die tijd.
Het is een laag geluid, diep onder je, als een hart dat heel langzaam klopt.
Je voelt het niet meer met je oren, maar met je hele lichaam.
Het wiegt je zachtjes heen en weer, heen en weer.
Zoals de zee dat doet, ver weg, aan de andere kant van de duinen.
De warme vlek buiten is nu echt een vlek geworden.
Je ziet geen vormen meer.
Geen duinen, geen gras, geen lucht.
Alleen nog kleuren die in elkaar overvloeien.
Een groot, zacht geheel.
Het lijkt wel of de wereld buiten langzaam oplost in de avond.
En jij lost een beetje mee op, in je stoel, onder je jas.
Je schouders zijn los.
Je handen liggen stil op je schoot.
Je benen zijn zwaar en warm.
Alles aan jou wordt rustiger.
Je adem wordt langzamer.
Je hoeft er niets voor te doen.
Het gebeurt vanzelf.
Boven je hoofd zoemt de lamp zachtjes.
Een heel klein geluid, bijna niet te horen.
Het is er wel, als een vriend die fluistert dat alles goed is.
Je voelt de stof van de stoel onder je vingers.
Een beetje ruw, een beetje warm.
Het is een bekend gevoel.
Het gevoel van zitten, van reizen, van onderweg zijn zonder haast.
De trein remt een heel klein beetje.
Je voelt het aan je lichaam, een lichte kanteling naar voren.
Dan gaat hij weer verder, rustig en gelijkmatig.
De beweging is als een lange ademhaling.
In, uit.
In, uit.
De trein ademt voor jou.
Je denkt aan de duinen die nu buiten liggen.
Ze zijn er nog, ook al zie je ze niet meer.
Ze liggen daar, groot en stil, in het donker.
Het zand is koel geworden.
Het gras beweegt niet.
Alles wacht.
De duinen wachten op de nacht, en jij wacht op niets.
Je hoeft nergens op te wachten.
Je hoeft alleen maar hier te zijn, in deze warme trein, met dit zachte geluid om je heen.
De wielen zingen hun lied.
Het is een lied zonder woorden.
Het gaat over verder gaan en toch stil blijven.
Het gaat over dragen en gedragen worden.
Het gaat over jou, maar ook niet over jou.
Het gaat gewoon.
Je ogen zijn bijna dicht.
Je ziet nog een klein beetje licht, een gloed van de lamp boven je.
Het is zacht en geel.
Het valt op je handen.
Je handen zien er warm uit in dat licht.
Je laat je hoofd iets naar voren zakken.
Je kin rust bijna op je borst.
Je nek is vrij, je schouders zijn vrij.
Alles mag hangen.
Alles mag los.
Je hoort iemand in de verte hoesten, heel zacht, en dan is het weer stil.
De stilte is dik en veilig.
Je zit er middenin.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De duinen zijn er nog, maar ze zijn ver weg.
De wereld is er nog, maar ze is zacht geworden.
Jij bent er ook nog.
Je bent er, in deze trein, op deze reis.
Je bent er, en dat is genoeg.
Het is precies genoeg.
Je laat je hoofd nog een stukje zakken.
De warmte van de deken over de wereld ligt ook over jou.
Je laat het allemaal gebeuren.
Je laat het allemaal zijn.
Het is goed zo.
Het is heel goed zo.
Het is heel goed zo.
De trein wiegt een klein beetje, heen en weer, heel langzaam.
Het is geen schudden, het is meer een zacht ademen van de wielen onder je.
Je voelt het in je voeten, heel ver weg.
Het is een ritme dat je niet hoeft te volgen.
Het mag gewoon gebeuren.
Je handen liggen stil op je schoot.
De gele gloed van de lamp valt er nog steeds op.
Je ziet de lijnen in je handpalmen, zacht en dun.
Je vingers zijn ontspannen, een beetje gebogen.
Je duimen liggen rustig naast je handen.
Ze hoeven niets vast te houden.
Ze hoeven niets te doen.
Je laat ze daar liggen, warm en stil.
Buiten is het donker geworden.
Het is geen hard donker, het is een zacht donker, vol met de kleuren van de schemering.
De duinen zijn er nog, maar je ziet ze niet meer.
Je voelt ze alleen nog, als een grote, stille aanwezigheid.
Ze liggen daar, heuvel na heuvel, bedekt met gras dat beweegt in de wind.
Maar de wind is ver weg.
Hier, in de trein, is het stil.
Je hoort het zachte zoemen van de trein.
Het is een lage toon, heel gelijkmatig.
Het klinkt als een verre stem die iets geruststellends zegt, maar je hoeft de woorden niet te verstaan.
Je laat de toon door je heen gaan.
Het zoemt door je benen, door je buik, door je borst.
Het maakt alles een beetje losser.
Je schouders zakken nog een stukje.
Je armen worden zwaar, maar op een fijne manier.
Ze liggen op de leuning, op je schoot, en ze mogen daar blijven.
Je ademt in.
De lucht is koel en rustig.
Je ademt uit.
Je mond is een beetje open, je kaken zijn los.
Je tong ligt stil tegen je gehemelte.
Je voelt je hart kloppen, maar het klopt langzaam.
Het klopt mee met de trein, of de trein klopt mee met jou.
Het maakt niet uit.
Het is één ritme nu.
Het is jouw ritme.
Iemand verderop in de trein draait een bladzijde om van een boek.
Het geluid is droog en zacht, als bladeren die bewegen.
Het is geen storend geluid.
Het hoort bij de stilte.
Het maakt de stilte alleen maar voller.
Je hoort ook het tikken van een deur die ergens los zit, heel klein, heel ver weg.
Het tikt niet vaak.
Het tikt af en toe, alsof het ook bijna slaapt.
De lamp boven je geeft nog steeds dat warme, gele licht.
Je ogen zijn bijna dicht.
Je ziet alleen nog een vlek van licht, een gloed op je handen.
Je handen zien er vredig uit.
Ze doen niets.
Ze zijn gewoon daar.
Je laat je hoofd nog een stukje zakken.
Je kin rust nu echt op je borst.
Je nek is vrij, je hals is warm onder de deken die over je schouders ligt.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De duinen zijn er nog, maar ze zijn heel ver weg.
De wereld is er nog, maar ze is zacht en klein geworden.
Jij bent er ook nog.
Je bent er, in deze trein, in het gele licht.
Je bent er, en dat is genoeg.
Het is precies genoeg.
De deken ligt over je heen, en de warmte ligt over de wereld.
Je laat het allemaal gebeuren.
Je laat het allemaal zijn.
De trein rijdt verder, de stilte blijft bij je.
Het is goed zo.
Het is heel goed zo.
Je ogen zijn bijna dicht.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Alles mag hangen.
Alles mag los.
Je ogen zijn bijna dicht.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De trein wiegt zacht, heel zacht, alsof hij je niet wil storen.
Boven je hoofd blijft het licht hangen, warm en geel, als een kleine zon die geen haast heeft.
Je handen liggen nog steeds op je schoot.
Ze zijn rustig.
Ze zijn warm onder de deken.
Je voelt je vingers niet meer zo duidelijk, alleen een zachte gloed van warmte.
Buiten is er nog steeds de wereld, maar die is vaag geworden.
Je hoort een heel zacht geluid, misschien de wielen op de rails, misschien de wind tegen het raam.
Het is geen geluid dat iets vraagt.
Het is gewoon er, als een zachte adem die meegaat met de trein.
De duinen zijn er nog, maar ze zijn nu alleen nog vormen, donkere en lichte vlekken die voorbijglijden.
Je hoeft ze niet te zien.
Je hoeft niets te zien.
Je hoofd ligt zwaar en licht tegelijk op je borst.
Zwaar omdat het mag rusten.
Licht omdat er geen denken meer is.
Je schouders zijn laag.
Je rug is lang en ontspannen onder de deken.
Je voelt je benen zwaar op de stoel, prettig zwaar, alsof ze in de warmte zijn weggezakt.
De deken ligt over je heen als een zachte hand die niets vasthoudt, alleen maar beschermt.
Je ademt in.
De lucht is koel en stil.
Je ademt uit.
De lucht wordt warm en zacht.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Het ritme is er nog, maar het is niet belangrijk meer.
Het is gewoon een golf die komt en gaat, komt en gaat.
Je hoeft er niets mee te doen.
Je hoeft alleen maar te liggen, te zitten, te zijn in deze stoel.
Het licht boven je geeft nog steeds die warme gloed.
Je ziet het niet meer met je ogen, maar je voelt het op je huid, op je wangen, op je handen.
Het is alsof het licht je vasthoudt, heel voorzichtig, zonder iets te vragen.
Je ogen zijn dicht.
Je ogen zijn heel zacht dicht.
Je oogleden zijn zwaar en licht tegelijk, als bladeren die op het water drijven.
De trein rijdt verder.
Je hoort het niet meer als een geluid.
Je voelt het alleen nog als een beweging, heel diep onder je, als een hartslag die langzaam wordt.
De wereld buiten is er nog, maar ze is heel klein geworden.
De duinen zijn er nog, maar ze zijn als herinneringen aan iets dat niet belangrijk is.
Er is alleen dit moment.
Er is alleen deze warmte.
Er is alleen dit zachte licht.
Je handen liggen op je schoot.
Je voelt ze niet meer als handen.
Ze zijn gewoon deel van de warmte.
Je voeten zijn zwaar op de vloer, maar ook zij zijn rustig.
Alles in je lichaam wordt rustig.
Alles mag zwaar worden.
Alles mag loslaten.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De deken ligt over je heen, en de warmte ligt over de wereld.
Je laat je hoofd nog een klein stukje zakken.
Het is al bijna op je borst, maar het mag nog een beetje lager.
Je nek is vrij.
Je hals is warm.
Je voelt je kin tegen de stof van je kleding, zacht en veilig.
Er is niets dat je moet doen.
Er is niets dat je moet denken.
De trein rijdt, het licht schijnt, de deken is warm, en jij bent er.
Je bent er, in deze trein, in dit gele licht.
Je bent er, en dat is genoeg.
Het is precies genoeg.
De stilte is bij je.
De stilte is in je.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Alles mag hangen.
Alles mag los.
De duinen zijn er nog, maar ze zijn heel ver weg.
De wereld is er nog, maar ze is zacht en klein geworden.
Jij bent er ook nog.
Je bent er, en dat is alles.
Het is alles wat nodig is.
Het is goed zo.
Het is heel goed zo.
Je ogen zijn dicht.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De trein wiegt verder, en jij blijft hier, in de warmte, in het licht, in de rust.
Je blijft hier, in de warmte, in het licht, in de rust.
De trein zingt zijn zachte lied, hetzelfde lied als altijd.
Het is een lied zonder woorden, een lied van wielen op rails, van glas dat lichtjes trilt.
Je hoort het niet meer echt, maar je voelt het.
Het zit in je borst, in je buik, heel laag.
Het wiegt met je mee, heen en weer, heen en weer.
Je adem gaat mee met de beweging.
In, als de trein iets omhoog komt.
Uit, als hij weer zakt.
Het is een lange, trage golf.
Je ligt erop, je drijft erop.
Je bent licht, heel licht.
Buiten is er nog steeds de wereld, maar die is ver weg.
Soms zie je door je half gesloten ogen een vlek van groen, een vlek van zand.
De duinen zijn er nog, maar ze zijn niet belangrijk meer.
Ze zijn net als de lucht, net als de wolken.
Ze zijn er, en dat is genoeg.
Ze vragen niets van je.
Ze wachten niet op je.
Ze zijn gewoon stil, zoals jij stil bent.
De trein rijdt verder, en de duinen schuiven voorbij.
Ze schuiven rustig, zonder haast.
Alles heeft zijn tijd.
Alles heeft zijn eigen tempo.
Jij hebt nu het tempo van de trein.
Het is een goed tempo.
Het is een tempo dat past bij jouw adem.
Je hand ligt nog steeds op de deken.
Je voelt de zachte stof onder je vingers.
Het is een warme stof, een bekende stof.
Je vingers bewegen een klein beetje, heel traag.
Ze strijken over de plooi, over een draad die iets dikker is.
Het is een klein gevoel, maar het is er.
Het is een gevoel van hier zijn, van aanwezig zijn.
OefenenLees
Tekst
Audio