Kurt's B2-tip: de kunst van het vragen stellen
Audio1x
Snelheid
Oefenen
Woordenschat
Kurt, je hebt net je duurlopen van deze week erop zitten, en ik weet dat je over een paar maanden die marathon in Amsterdam gaat lopen.
Maar vandaag wil ik het niet hebben over je benen, maar over je tong.
Ja, je tong.
Want als je straks in Den Haag werkt als fysiotherapeut, ga je niet alleen antwoorden geven, je gaat ook vragen stellen.
En dat is waar veel Nederlanders – en jij ook, denk ik – struikelen: de woordvolgorde in een vraagzin met een bijzin.
Shit, het klinkt ingewikkeld, maar ik beloof je: het is te doen.
En het is verdomd handig als je straks tegen een patiënt zegt: 'Ik wil weten of u pijn heeft bij het buigen.' Zie je wat daar gebeurt?
'Ik wil weten' is de hoofdzin, en 'of u pijn heeft' is de bijzin.
En in die bijzin gaat de persoonsvorm – 'heeft' – naar het einde.
Niet 'of heeft u pijn', maar 'of u pijn heeft'.
Dat is de regel die we al vaak hebben geoefend, maar nu gaan we het toepassen op vragen stellen.
Stel je voor: je bent in een nieuwe praktijk, en je wilt aan je collega vragen hoe het werkt met de administratie.
Je zegt niet: 'Hoe werkt het hier?' Nee, je zegt: 'Kun je me uitleggen hoe het hier werkt?' Zie je het?
'Kun je me uitleggen' is de hoofdvraag, en dan komt de bijzin: 'hoe het hier werkt' – met 'werkt' aan het einde.
Klinkt dat logisch?
Ja, maar je moet er wel aan denken.
En nu de vraag die je waarschijnlijk stelt: hoe oefen ik dit?
Nou, ik heb een tip voor je.
Luister naar Nederlandse podcasts – ja, ik weet het, je doet dat al – maar luister specifiek naar interviews.
Mensen stellen constant vragen, en je hoort die woordvolgorde de hele tijd.
Schrijf er een paar op, en zeg ze hardop na.
En dan nog een ding: durf fouten te maken.
Ik weet dat je perfectionistisch bent, maar geloof me, een Nederlander zal je niet raar aankijken als je zegt: 'Ik wil weten wanneer begint de afspraak.' Ze begrijpen je wel.
Maar als je het goed doet, klink je meteen een stuk vloeiender.
En dat is wat je wilt, toch?
Oké, laten we een paar woorden oefenen die je straks nodig hebt in je werk en in je dagelijkse leven in Den Haag.
We hebben 'de collega' – dat is je werkmaatje.
'De afspraak' – die maak je met een patiënt of met een vriend.
'De vraag' – die stel je, en hopelijk krijg je een antwoord.
'Uitleggen' – dat doe je als je iets duidelijk maakt.
'Het antwoord' – dat krijg je op je vraag.
'Begrijpen' – dat doe je als je iemand volgt.
En 'de fout' – die mag je maken, zolang je ervan leert.
Zeg ze eens na: de collega, de afspraak, de vraag, uitleggen, het antwoord, begrijpen, de fout.
Goed.
Nu, een kleine uitdaging voor deze week.
Ik wil dat je elke dag één vraag opschrijft die je zou kunnen stellen in je werk of in een gesprek, en dat je die vraag hardop zegt met de juiste woordvolgorde.
Bijvoorbeeld: 'Kun je me vertellen waar de dichtstbijzijnde supermarkt is?' Of: 'Weet je of er een hardloopgroep is in Den Haag?' Schrijf ze op, zeg ze hardop, en stuur er één naar je vrouw.
Zij kan je feedback geven.
En Kurt, ik weet dat je het kunt.
Je bent al zo ver gekomen.
Je Nederlands is goed, maar het kan beter zijn – dat zei je zelf.
En dat is precies waarom je dit doet.
Over een jaar zit je in Den Haag, werk je in een fijne praktijk, en deel je je reis online.
En dan denk je terug aan vandaag, en lach je om die keer dat je nog dacht: 'hoe werkt het hier?' Nou, nu weet je het.
Veel succes, en tot morgen.