

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo en welkom terug bij ‘My Dutch adventures’!
ENVandaag duiken we in één van de handigste vaardigheden voor jouw Amsterdamse leven—vragen stellen.
Perfect om een gesprek te beginnen met je collega’s of… je schoonmoeder.
Misschien vind je het spannend om te spreken, zeker als het om de juiste woordvolgorde gaat.
Geen zorgen!
Vandaag gaan we samen oefenen, en maak je geen zorgen als je uitspraak nog niet helemaal perfect is.
Het belangrijkste is: durf te praten!
Goed, tijd voor wat nieuwe woorden.
Luister en herhaal na mij: Vraag – a question.
ENBijvoorbeeld: Ik heb een vraag.
(I have a question.) Antwoord – an answer.
ENBijvoorbeeld: Kun je mijn vraag beantwoorden?
(Can you answer my question?) Hoe gaat het?
EN– How are you?
ENSimpel, maar essentieel!
Werken – to work.
ENBijvoorbeeld: Waar werk jij?
Waarom – why.
Bijvoorbeeld: Waarom woon je in Amsterdam?
Wanneer – when.
Bijvoorbeeld: Wanneer heb je pauze?
Wie – who.
Bijvoorbeeld: Wie is dat?
Welke – which.
Bijvoorbeeld: Welke muziek vind je leuk?
Je merkt het al: veel Nederlandse vragen beginnen met een vraagwoord.
Deze woorden staan altijd, net als in het Engels, aan het begin van de zin: wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe, welke… Maar, let op: in het Nederlands komt daarna meestal het werkwoord!
Bijvoorbeeld: ‘Waar woon je?’ Niet: ‘Waar je woont?’ Dit is onze grammar focus van vandaag: woordvolgorde in zinnen met vraagwoorden.
Dus: VRAAGWOORD – WERKWOORD – ONDERWERP.
Bijvoorbeeld: Waar (vraagwoord) werk (werkwoord) jij (onderwerp)?
En nu, een klein rollenspel.
Stel je bent op kantoor, bij het koffiezetapparaat: Jij: Hoe gaat het met jouw project?
Collega: Goed!
En met jou?
Jij: Ook goed, dank je!
Werk je vandaag thuis?
Collega: Nee, ik ben op kantoor.
Waarom vraag je dat?
Jij: Ik zag je gisteren niet.
Wanneer heb je tijd voor een meeting?
Collega: Vrijdag om tien uur?
Top!
Met deze structuur kun je makkelijk een praatje maken op werk - of met je schoonmoeder.
Bijvoorbeeld: ‘Welke taart bak je vandaag?’ Misschien vraag je jezelf dat ook als groot stroopwafel fan!
Even samenvatten!
Vandaag heb je geleerd: - Vraag – question - Antwoord – answer - Werken – to work - Waarom – why - Wanneer – when - Wie – who - Welke – which - De woordvolgorde van Nederlandse vragen: VRAAGWOORD – WERKWOORD – ONDERWERP.
Volgende keer praten we over fietsen door de regen… en hoe je daarover klaagt als een echte Nederlander!
Tot de volgende aflevering van ‘My Dutch adventures’.
Doei!