Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A2 · Irregular

Conjugación de Bestaan

bestaan = existir, consistir

Infinitivo
bestaan
Pasado
bestond · bestonden
Perfecto
heeft bestaan

Respuesta rápida

Bestaan significa existir, consistir. Pasado: bestond (singular) y bestonden (plural). Participio: bestaan, con hebben: ik heb bestaan.

Practica bestaan

Presente (tegenwoordige tijd)

ikbesta
jijbestaat
hij/zij/hetbestaat
wijbestaan
julliebestaan
zijbestaan

Pasado (verleden tijd)

ikbestond
jijbestond
hij/zij/hetbestond
wijbestonden
julliebestonden
zijbestonden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb bestaan
jijhebt bestaan
hij/zij/hetheeft bestaan
wijhebben bestaan
julliehebben bestaan
zijhebben bestaan

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad bestaan
jijhad bestaan
hij/zij/hethad bestaan
wijhadden bestaan
julliehadden bestaan
zijhadden bestaan

Futuro (toekomende tijd)

ikzal bestaan
jijzult bestaan
hij/zij/hetzal bestaan
wijzullen bestaan
julliezullen bestaan
zijzullen bestaan

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou bestaan
jijzou bestaan
hij/zij/hetzou bestaan
wijzouden bestaan
julliezouden bestaan
zijzouden bestaan

Practica bestaan

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: bestaan, bestond, bestaan.
  • Los verbos que empiezan por be-, ge-, her-, ont-, ver- o er- no llevan un ge- extra en el participio: bestaan.

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de bestaan?

bestond (ik, jij, hij/zij/het) y bestonden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de bestaan?

bestaan, con hebben: ik heb bestaan.

¿El verbo bestaan va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb bestaan, hij heeft bestaan.

Más verbos

Todos los verbosComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.