Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A1 · Irregular

Conjugación de Drinken

drinken = beber

Infinitivo
drinken
Pasado
dronk · dronken
Perfecto
heeft gedronken

Respuesta rápida

Drinken significa beber. Pasado: dronk (singular) y dronken (plural). Participio: gedronken, con hebben: ik heb gedronken.

Practica drinken

Presente (tegenwoordige tijd)

ikdrink
jijdrinkt
hij/zij/hetdrinkt
wijdrinken
julliedrinken
zijdrinken

Pasado (verleden tijd)

ikdronk
jijdronk
hij/zij/hetdronk
wijdronken
julliedronken
zijdronken

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gedronken
jijhebt gedronken
hij/zij/hetheeft gedronken
wijhebben gedronken
julliehebben gedronken
zijhebben gedronken

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gedronken
jijhad gedronken
hij/zij/hethad gedronken
wijhadden gedronken
julliehadden gedronken
zijhadden gedronken

Futuro (toekomende tijd)

ikzal drinken
jijzult drinken
hij/zij/hetzal drinken
wijzullen drinken
julliezullen drinken
zijzullen drinken

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou drinken
jijzou drinken
hij/zij/hetzou drinken
wijzouden drinken
julliezouden drinken
zijzouden drinken

Practica drinken

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: drinken, dronk, gedronken.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij drinkt, pero drink jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de drinken?

dronk (ik, jij, hij/zij/het) y dronken (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de drinken?

gedronken, con hebben: ik heb gedronken.

¿El verbo drinken va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gedronken, hij heeft gedronken.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.