

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
RICK: Hoi Emma.
Hoi Lars.
EMMA: Hoi Rick.
Wat is er?
LARS: Jij kijkt serieus.
RICK: Ja.
De trein is kapot.
EMMA: Welke trein?
RICK: De trein naar het zuiden.
LARS: Is dat erg?
RICK: Ja.
Het is tot donderdagavond.
EMMA: Donderdagavond?
Dat is lang.
Donderdag is ver weg.
LARS: Ik reis niet met de trein.
Ik werk thuis.
RICK: Jij hebt een auto.
Dat is makkelijk.
EMMA: Maar ik heb geen auto.
Ik heb alleen een fiets.
LARS: O.
Dat is slecht voor jou.
RICK: Ja.
Emma heeft de trein nodig voor werk.
EMMA: Ik ga naar mijn werk.
Mijn werk is in het zuiden.
RICK: Hoe ga jij dan?
EMMA: Ik weet het niet.
Ik denk na.
LARS: Jij kunt fietsen.
Fietsen is gezond.
EMMA: Fietsen?
Dat is ver.
Het is dertig kilometer.
RICK: Ja.
Het is ver.
Dertig kilometer is lang.
EMMA: Ik heb een fiets.
Mijn fiets is oud.
LARS: Mooi.
Fietsen is goed.
Oude fietsen zijn sterk.
RICK: Maar het is koud vandaag.
Het is maar vijf graden.
EMMA: Ja.
Het is koud.
Mijn handen worden koud.
LARS: Heb jij een warme jas?
En handschoenen?
EMMA: Ja.
Ik heb een jas.
En ik heb handschoenen.
RICK: Mooi.
De jas is warm.
De handschoenen zijn ook warm.
EMMA: Ik fiets dan.
Ik fiets naar het noorden.
LARS: En ik drink koffie.
Koffie is warm.
RICK: Haha.
Jij bent grappig.
Jij werkt thuis.
EMMA: Jij hebt geluk.
Jij hebt geen probleem.
LARS: Ja.
Ik heb geen probleem.
Mijn werk is thuis.
RICK: Maar de trein is een probleem.
Een groot probleem.
EMMA: Ja.
Het is een groot probleem.
Ik mis de trein.
LARS: Is de trein nog stuk?
RICK: Ja.
Het is tot donderdagavond.
Donderdag is over twee dagen.
EMMA: Donderdag is ver.
Twee dagen is lang.
RICK: Ja.
Het is twee dagen.
Geen trein voor twee dagen.
LARS: Twee dagen?
Dat is niet leuk.
Ik vind treinen leuk.
EMMA: Nee.
Het is niet leuk.
Ik ben verdrietig.
RICK: Heb jij een plan?
Een plan voor vandaag?
EMMA: Ja.
Ik fiets naar het station.
Het station in het noorden.
LARS: Het station?
De trein is kapot.
EMMA: Ik fiets naar een ander station.
Het station in het noorden.
RICK: Welk station?
Het station in de stad?
EMMA: Het station in het noorden.
Daar rijdt de trein.
LARS: Is dat ver?
Het noorden is ver.
EMMA: Ja.
Het is ver.
Tien kilometer fietsen.
RICK: Maar de trein rijdt wel?
Naar het zuiden?
EMMA: Ja.
De trein naar het noorden is goed.
Ik neem een omweg.
LARS: Mooi.
Jij hebt een plan.
Een goed plan.
RICK: Ja.
Het is een goed plan.
Tien kilometer is niet zo ver.
EMMA: Ik ga nu.
Maar ik drink eerst koffie.
LARS: Nu?
Jij drinkt nog niet.
Blijf nog even.
RICK: Ja.
Drink eerst koffie.
Koffie is lekker.
EMMA: Goed.
Een kop koffie.
Een kleine kop.
LARS: En een koek?
Een koek bij de koffie?
RICK: Haha.
Ja.
Een koek is goed.
Ik neem ook een koek.
EMMA: OK.
Koffie en een koek.
Dat is gezellig.
LARS: Mooi.
Het is gezellig.
Ik hou van gezellig.
RICK: Ja.
Het is gezellig.
Koffie en koek.
EMMA: Maar daarna fiets ik.
Daarna ga ik echt.
LARS: En ik werk thuis.
Ik heb een vergadering.
RICK: En ik ga naar de les.
Ik geef les.
EMMA: Les?
Jij geeft les?
Wat voor les?
RICK: Ja.
Ik geef Nederlandse les.
Voor beginners.
LARS: O.
Dat is leuk.
Beginners leren snel.
RICK: Ja.
Het is leuk.
De studenten zijn aardig.
EMMA: De les is in het noorden?
Ver van hier?
RICK: Ja.
Het is in het noorden.
Dicht bij het station.
LARS: De trein is daar goed.
Geen probleem voor jou.
RICK: Ja.
Geen probleem.
Ik neem de trein.
EMMA: Mooi.
Voor mij is het een probleem.
Maar ik heb een plan.
RICK: Ja.
Maar jij hebt een plan.
Fietsen en de trein.
EMMA: Ja.
Ik fiets en neem de trein.
Het is een omweg.
LARS: Het is een goed plan.
Veel succes.
RICK: Ja.
Het is een goed plan.
Sterkte met fietsen.
EMMA: Dank jullie.
Jullie zijn lief.
LARS: Graag gedaan.
Tot morgen.
RICK: Tot de volgende.
Alle transcripten en meer Nederlandse verhalen op Dutch Fluency, dutchfluency.com slash transcripts.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze