Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Een huisje aan de rand van de Veluwe in de regen

Het is al laat geworden.

Je bent thuis.

De deur valt zacht achter je dicht.

Buiten ruist de regen.

Binnen is het stil.

Je blijft even staan.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De kamer is warm.

Er hangt een zachte geur van hout en linnen.

Je jas druipt een beetje.

Je hangt hem aan de haak.

Het water valt in kleine druppels op de mat.

Tik.

Tik.

Tik.

Je loopt langzaam naar binnen.

Je voeten zijn moe.

Dat mag.

Je mag nu langzaam zijn.

De vloer kraakt zacht onder je stappen.

Niet hard.

Alleen een klein geluid.

Alsof het huis je zachtjes groet.

De regen blijft vallen.

Tegen het raam.

Tegen het dak.

Een rustig geluid.

Steeds hetzelfde.

Steeds weer anders.

Je luistert even.

Je hoeft niets te doen.

In de kamer brandt een klein licht.

Een schemerlamp bij de bank.

Het licht is warm.

Geel en zacht.

Het raakt de muur.

Het raakt de tafel.

Het raakt jouw handen.

Je gaat zitten.

De bank is zacht.

Je laat je schouders zakken.

Je ademt nog een keer.

Diep en rustig.

De lucht komt vanzelf.

Je hoeft hem niet te sturen.

Buiten is het donker.

De bomen aan de rand van de Veluwe staan stil in de regen.

Je ziet ze bijna niet.

Alleen hun vorm.

Zwart en rustig.

Ze bewegen een beetje in de wind.

Heel langzaam.

De regen tikt op het glas.

Soms zacht.

Soms iets harder.

Dan weer zacht.

Het klinkt als een liedje zonder woorden.

Je hoeft het niet te kennen.

Je hoeft alleen te luisteren.

Je kijkt naar het raam.

Kleine druppels lopen naar beneden.

Ze glinsteren in het licht.

Ze gaan langzaam.

Ze hebben geen haast.

Jij ook niet.

Je ademt in.

De kamer is stil.

Je ademt uit.

De regen blijft.

Misschien trek je je schoenen uit.

Dat is fijn.

Je voeten komen vrij.

De vloer is koel.

Maar niet koud.

Gewoon koel.

Je wiebelt even met je tenen.

Dan laat je ze stil.

Je handen liggen op je benen.

Ze zijn rustig.

Je voelt de stof van je broek.

Zacht.

Je voelt de warmte van je eigen huid.

Je bent hier.

Je bent thuis.

Het licht van de lamp is klein.

Maar het is genoeg.

Het hoeft niet meer te zijn.

Het raakt de rand van de tafel.

Het raakt de leuning van de stoel.

Het raakt een boek dat daar ligt.

Je hoeft niet te lezen.

Je mag gewoon kijken.

Buiten ruist de regen door.

Tegen het dak.

Tegen de bladeren.

Tegen de grond.

De aarde drinkt het water.

De bomen staan stil.

De lucht is vol.

En toch is het rustig.

Je ademt weer.

In.

En uit.

Je voelt je adem in je buik.

Je voelt je adem in je borst.

Het gaat vanzelf.

Het gaat altijd vanzelf.

De kamer is warm.

De deken ligt naast je.

Hij is zacht.

Grijs of blauw.

Dat maakt niet uit.

Je pakt hem misschien.

Je legt hem over je benen.

De warmte komt langzaam.

Ze kruipt omhoog.

Naar je knieën.

Naar je heupen.

Naar je buik.

Je hoofd wordt zwaar.

Op een fijne manier.

Alsof het even mag rusten.

Je laat het zakken.

Tegen de leuning.

Tegen een kussen.

Het maakt niet uit.

Het is goed.

De regen blijft.

Tik.

Tik.

Tik.

Op het raam.

Op het dak.

Op de wereld daarbuiten.

En jij bent hier.

Binnen.

Veilig.

Warm.

Je ogen zijn misschien moe.

Dat mag.

Je mag ze sluiten.

Even maar.

Of langer.

De kamer blijft.

De regen blijft.

Het licht blijft zacht.

Je ademt in.

De lucht is rustig.

Je ademt uit.

Alles is rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent thuis.

Aan de rand van de Veluwe.

In de regen.

In het licht.

In de stilte.

De tijd gaat langzaam.

Dat is goed.

De klok tikt niet hard.

De wereld wacht.

De bomen wachten.

De regen valt.

En jij mag gewoon zijn.

Hier.

Nu.

Zacht en warm.

Je voelt je voeten.

Je voelt je benen.

Je voelt de deken.

Je voelt de bank.

Je voelt de kamer om je heen.

Alles is dichtbij.

Alles is rustig.

Nog een keer adem je in.

Nog een keer adem je uit.

De regen tikt.

Het licht gloeit.

De kamer is warm.

En jij bent thuis.

De bank is zacht onder je.

De deken ligt over je benen.

Hij is warm.

Hij is licht.

Hij beweegt niet.

Jij hoeft ook niet te bewegen.

Buiten valt de regen nog steeds.

Zacht.

Regelmatig.

Tik.

Tik.

Tik.

Op het raam.

Op het dak.

Op de bladeren van de bomen.

De bomen staan stil.

Ze laten de regen gewoon komen.

Ze laten de regen gewoon gaan.

Het licht in de kamer is zacht.

Het komt van een lamp.

Een kleine lamp.

Hij brandt rustig.

Hij knippert niet.

Hij vraagt niets.

Hij is er gewoon.

Net als jij.

Misschien hoor je de regen op het glas.

Misschien hoor je de regen op het dak.

Misschien hoor je allebei.

Dat is goed.

Je hoeft niets te kiezen.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Of niet.

Ook dat mag.

De kamer is stil.

De kamer is warm.

De kamer blijft.

Jij blijft ook.

Even.

Of langer.

De tijd gaat langzaam.

Dat is goed.

De tijd mag langzaam gaan.

Je ademt in.

De lucht is koel.

Je ademt uit.

De lucht is warm.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Rustig.

Zacht.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent hier.

Dat is genoeg.

Buiten is het bos.

De bomen zijn hoog.

De dennen ruiken naar regen.

De grond is zacht.

De bladeren zijn nat.

Er loopt misschien een dier.

Een hert.

Een konijn.

Het loopt langzaam.

Het kijkt niet naar jou.

Het is gewoon daar.

Net als jij.

De regen valt op de heide.

De heide is paars in de zomer.

Nu is het stil.

Nu is het nat.

De regen maakt alles zacht.

De regen maakt alles stil.

In de kamer is het licht.

De lamp gloeit.

De deken ligt.

De bank is zacht.

Jij bent hier.

Binnen.

Veilig.

Warm.

Je ogen zijn misschien moe.

Dat mag.

Je mag ze sluiten.

Even maar.

Of langer.

De kamer blijft.

De regen blijft.

Het licht blijft zacht.

Je voelt je voeten.

Ze zijn warm.

Je voelt je benen.

Ze zijn zwaar.

Op een fijne manier.

Je voelt de deken.

Hij ligt over je heen.

Je voelt de bank.

Hij draagt je.

Je voelt de kamer om je heen.

Alles is dichtbij.

Alles is rustig.

Nog een keer adem je in.

Nog een keer adem je uit.

De regen tikt.

Het licht gloeit.

De kamer is warm.

En jij bent thuis.

De regen blijft vallen.

Tik.

Tik.

Tik.

Op het raam.

Op het dak.

Op de wereld daarbuiten.

En jij bent hier.

Binnen.

Veilig.

Warm.

De klok tikt niet hard.

De wereld wacht.

De bomen wachten.

De regen valt.

En jij mag gewoon zijn.

Hier.

Nu.

Zacht en warm.

Misschien denk je aan niets.

Dat is goed.

Misschien denk je aan iets kleins.

Een beeld.

Een geur.

Een geluid.

Dat is ook goed.

Je hoeft het niet vast te houden.

Het mag komen.

Het mag gaan.

Net als de regen.

De lamp blijft branden.

De deken blijft liggen.

De bank blijft zacht.

Jij blijft hier.

Even.

Of langer.

De tijd gaat langzaam.

Dat is goed.

Je ademt in.

De lucht is rustig.

Je ademt uit.

Alles is rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent thuis.

Aan de rand van de Veluwe.

In de regen.

In het licht.

In de stilte.

De regen tikt.

Het licht gloeit.

De kamer is warm.

En jij bent thuis.

De regen tikt nog steeds.

Zacht en gelijkmatig.

Als een liedje dat je niet hoeft te kennen.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Buiten is het grijs.

Zacht grijs.

Het licht komt door de ramen zonder haast.

Het valt op de vloer.

Op de tafel.

Op je handen.

Alles is zacht.

Alles is rustig.

De deken ligt over je benen.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij ruikt een beetje naar thuis.

Naar wasmiddel.

Naar rust.

Je kijkt naar buiten.

De bomen staan stil.

De takken bewegen een beetje.

Heel langzaam.

De bladeren zijn nat.

Ze glinsteren in het licht.

Het is mooi.

Gewoon mooi.

Je hoeft er niets van te vinden.

Ergens in de verte klinkt een vogel.

Een klein geluid.

Dan weer stilte.

De regen neemt het over.

Tik.

Tik.

Tik.

Op het raam.

Op het dak.

Op de bladeren.

Je ademt in.

De lucht is koel en schoon.

Je ademt uit.

Je schouders zakken een beetje.

Dat is goed.

Je hoeft niets vast te houden.

De bank is zacht onder je.

De kussens zijn zacht.

Je zit hier.

Je ligt hier.

Het maakt niet uit.

Je bent hier.

Dat is genoeg.

Misschien denk je aan de ochtend.

Aan een kopje thee.

Aan de stoom die langzaam omhoog gaat.

Aan de warmte in je handen.

Dat beeld mag er zijn.

Even.

Dan mag het weer gaan.

Misschien denk je aan niets.

Aan de regen.

Aan het licht.

Aan de stilte.

Dat is ook goed.

Niets doen is ook iets.

De lamp brandt nog.

Hij geeft een zacht geel licht.

Het licht raakt de muur.

De muur is warm van kleur.

De kamer is klein.

De kamer is veilig.

De kamer is van jou.

Buiten waait de wind een beetje.

De regen valt schuin.

Het tikken verandert.

Even sneller.

Dan weer rustig.

Net als je adem.

Net als je gedachten.

Je hoeft niet op te staan.

Je hoeft niets te pakken.

Je hoeft niets te zeggen.

Je mag hier blijven.

Op de bank.

Onder de deken.

In het licht.

De tijd gaat langzaam.

De klok tikt niet hard.

De wereld daarbuiten wacht.

De bomen wachten.

De regen valt.

En jij bent hier.

Binnen.

Veilig.

Warm.

Je handen liggen stil.

Je voeten zijn warm.

Je adem gaat zacht.

In.

En uit.

In.

En uit.

De regen tikt op het raam.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een ritme.

Een zacht ritme.

Je hoeft het niet te tellen.

Je hoeft het alleen maar te horen.

Misschien komt er een geur voorbij.

Natte aarde.

Natte bladeren.

Een beetje hout.

Van de open haard die niet brandt.

Maar die geur is er toch.

In je hoofd.

In de kamer.

Het is een rustige geur.

Je hoeft niet te weten waarom.

Je hoeft niet te vragen wat het is.

Het is er.

Dat is genoeg.

De deken ligt over je benen.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij blijft liggen.

Jij blijft hier.

Even.

Of langer.

De lamp blijft branden.

Het licht blijft zacht.

De kamer blijft warm.

De regen blijft vallen.

Tik.

Tik.

Tik.

Je bent thuis.

Aan de rand van de Veluwe.

In de regen.

In het licht.

In de stilte.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

Je ademt in.

De lucht is rustig.

Je ademt uit.

Alles is rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent hier.

En dat is goed.

Je bent hier.

En dat is goed.

De regen blijft tikken.

Zacht.

Regelmatig.

Soms iets zachter.

Dan weer iets duidelijker.

Alsof de regen even ademt.

Alsof de regen ook rust.

Je hoeft niet te luisteren.

Je mag gewoon horen.

Het geluid is er.

Het blijft.

Het gaat niet weg.

Het is een vriendelijk geluid.

Buiten is het donker.

Niet heel donker.

Een zachte schemer.

De bomen staan stil.

De bladeren hangen vol water.

Af en toe valt er een druppel.

Traag.

Naar beneden.

Op de grond.

Op een blad.

Op het dak.

Je hoort het niet altijd.

Maar je weet dat het gebeurt.

De druppel valt.

De druppel landt.

Alles gaat langzaam.

Alles gaat zacht.

De deken ligt nog over je benen.

Hij is niet zwaar.

Hij is niet licht.

Hij is precies goed.

Je voelt de warmte.

Langzaam.

Van je voeten.

Naar je knieën.

Naar je buik.

De warmte blijft.

De warmte groeit niet.

De warmte gaat niet weg.

De lamp brandt nog.

Het licht is geel.

Zacht geel.

Het licht raakt de muur.

Het licht raakt de tafel.

Het licht raakt jou.

Niet fel.

Niet scherp.

Gewoon zacht.

Misschien staat er een kopje op tafel.

Met thee.

Lauw geworden.

Je hoeft het niet te drinken.

Je hoeft het niet weg te zetten.

Het staat er.

Dat is genoeg.

Misschien ligt er een boek.

Open.

Of dicht.

Je hoeft niet te lezen.

Je hoeft niet te weten waar je gebleven was.

Het boek blijft liggen.

De bladzijden blijven stil.

De kamer is stil.

De regen is er.

De lamp is er.

De deken is er.

Jij bent er.

Je ademt in.

De lucht is koel.

Niet koud.

Koel.

Je ademt uit.

De lucht is warm.

Niet heet.

Warm.

Je ademt weer in.

Je ademt weer uit.

Het gaat vanzelf.

Het hoeft niet anders.

Soms knippert het licht.

Heel even.

Dan is het weer rustig.

Je hoeft niet te kijken.

Je hoeft niet te controleren.

Het licht blijft.

Het licht is betrouwbaar.

Buiten beweegt er iets.

Een tak.

Een blad.

De wind is zacht.

De wind duwt niet.

De wind streelt.

De wind gaat door de bomen.

Langzaam.

Voorzichtig.

Je hoort de regen op het raam.

Tik.

Tik.

Tik.

Soms een tik iets harder.

Soms een tik iets zachter.

Het ritme blijft.

Het ritme gaat nooit weg.

Je hoeft het niet te tellen.

Je hoeft het niet te volgen.

Het is er gewoon.

De geur van natte aarde komt weer terug.

Of misschien was hij er altijd al.

Natte bladeren.

Een beetje hout.

De open haard brandt niet.

Maar de geur is er.

In je hoofd.

In de kamer.

Het is een rustige geur.

Een veilige geur.

Je hoeft niet te weten waarom.

Je hoeft niet te vragen wat het is.

Het is er.

Dat is genoeg.

De deken ligt over je benen.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij blijft liggen.

Jij blijft hier.

Even.

Of langer.

De lamp blijft branden.

Het licht blijft zacht.

De kamer blijft warm.

De regen blijft vallen.

Tik.

Tik.

Tik.

Je bent thuis.

Aan de rand van de Veluwe.

In de regen.

In het licht.

In de stilte.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

Je ademt in.

De lucht is rustig.

Je ademt uit.

Alles is rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent hier.

En dat is goed.

De tijd gaat langzaam.

Dat is fijn.

De tijd hoeft niet snel.

De tijd mag langzaam.

De klok tikt niet.

Of je hoort hem niet.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De tijd is zacht.

Misschien valt je hoofd een beetje naar voren.

Misschien zak je iets onderuit.

Dat is goed.

Je hoeft niet rechtop te blijven.

Je hoeft niet wakker te blijven.

Je mag zakken.

Je mag rusten.

Je mag blijven.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een liedje zonder woorden.

Een liedje dat je kent.

Een liedje dat blijft.

Je bent hier.

Aan de rand van de Veluwe.

In een huisje.

In de regen.

In het licht.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

De regen blijft tikken op het dak.

Tik.

Tik.

Tik.

Zacht en gelijkmatig.

Je hoort het zonder te luisteren.

Het is er gewoon.

Zoals je adem.

Zoals het licht.

Buiten is het groen.

Diep groen van de bomen.

Zacht groen van het mos.

De regen maakt alles stiller.

De kleuren worden dieper.

De wereld wordt kleiner.

Alleen dit huisje.

Alleen deze kamer.

Alleen jij.

Je ligt onder de deken.

De deken is warm.

De deken is zacht.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Precies goed.

Je voelt de stof tegen je huid.

Je voelt de warmte om je heen.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft alleen maar te liggen.

Misschien beweegt je hand een beetje.

Misschien niet.

Dat maakt niet uit.

Je hand mag rusten.

Je arm mag rusten.

Je hele lichaam mag rusten.

Alles mag zwaar worden.

Alles mag zacht worden.

Alles mag zakken in de deken.

De regen tikt door.

Tik.

Tik.

Tik.

Soms waait er een zuchtje wind langs het raam.

Dan hoor je de regen even anders.

Dan hoor je de bladeren ruisen.

Dan is het weer stil.

En dan tikt de regen weer verder.

Tik.

Tik.

Tik.

Je ademt in.

De lucht is koel en rustig.

Je ademt uit.

De lucht is warm en zacht.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Er is geen haast.

Er is geen tijd.

Alleen je adem.

Alleen de regen.

Alleen het licht dat langzaam verschuift.

Het licht is nu iets zachter.

Iets grijzer.

De middag wordt avond.

Maar heel langzaam.

Zo langzaam dat je het bijna niet merkt.

De kamer wordt een beetje donkerder.

De hoeken worden zachter.

De schaduwen worden dieper.

Alles wordt stiller.

Misschien denk je aan niets.

Dat is goed.

Misschien denk je aan iets kleins.

Aan de geur van natte bladeren.

Aan de warmte van de deken.

Aan het geluid van de regen.

Dat is ook goed.

Je gedachten mogen komen en gaan.

Ze mogen langskomen.

Ze mogen weer weggaan.

Je hoeft ze niet vast te houden.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een liedje zonder woorden.

Een liedje dat je kent.

Een liedje dat blijft.

Het zingt over rust.

Het zingt over stilte.

Het zingt over niets hoeven.

Je bent hier.

Aan de rand van de Veluwe.

In een huisje.

In de regen.

In het licht.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

Je voelt je voeten.

Ze zijn warm onder de deken.

Je voelt je benen.

Ze zijn zwaar en ontspannen.

Je voelt je rug.

Hij rust op het bed.

Je voelt je schouders.

Ze zakken een beetje naar beneden.

Je voelt je gezicht.

Het is zacht.

Je kaken zijn los.

Je voorhoofd is glad.

Alles is rustig.

De regen tikt.

Tik.

Tik.

Tik.

Soms hoor je een druppel vallen van het dak.

Dan hoor je een klein geluid.

Dan is het weer stil.

En dan tikt de regen weer verder.

Tik.

Tik.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Audio