

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo, ik ben Rick.
Ik ga je vanavond een verhaal vertellen.
Het verhaal gaat over de tulpenvelden in Nederland.
De tulpenvelden zijn heel mooi in het voorjaar.
Je gaat met mij mee.
We gaan samen door de velden lopen.
We gaan kijken naar de kleuren.
We gaan luisteren naar de geluiden.
Alles is rustig.
ENAlles is vredig.
ENJe bent veilig.
Je mag je ogen sluiten.
Je mag ontspannen.
Het verhaal begint nu.
Je ziet rood, je ziet geel, je ziet roze, je ziet oranje, je ziet paars.
Elke kleur heeft een eigen veld.
De velden liggen naast elkaar.
Het is een prachtig gezicht.
De lucht boven je is blauw.
De lucht is helder.
Er zijn een paar wolken.
De wolken zijn wit.
De wolken bewegen langzaam.
De zon schijnt.
De zon voelt warm op je gezicht.
Het is lente.
Het is april.
De temperatuur is aangenaam.
Het is niet te warm.
Het is niet te koud.
Je voelt je prettig.
Je begint te lopen.
Je loopt langzaam.
Het pad is van aarde.
Het pad is zacht onder je voeten.
Je hoort je voetstappen.
De voetstappen maken een zacht geluid.
Het geluid is rustgevend.
Je loopt verder.
Je hebt geen haast.
Er is alle tijd.
Tijd bestaat niet hier.
Alleen het moment bestaat.
Je kijkt naar het eerste veld.
Het eerste veld is rood.
De rode tulpen staan dicht bij elkaar.
De tulpen zijn allemaal even groot.
De bloemen zijn open.
De bloemen kijken naar de zon.
De blaadjes van de tulpen zijn glad.
De blaadjes glanzen in het licht.
Het rood is intens.
Het rood is warm.
Je voelt de warmte van de kleur.
Je loopt een paar stappen verder.
Nu zie je het gele veld.
Het gele veld ligt naast het rode veld.
Het geel is helder.
Het geel is als zonlicht.
De gele tulpen lijken te stralen.
Ze geven licht.
Het licht maakt je blij.
Je voelt een glimlach op je gezicht.
De glimlach komt vanzelf. Alles is goed. De wind begint te waaien. De wind is zacht. De wind is een briesje. Het briesje raakt je huid. Het briesje voelt koel aan. Het is prettig. De wind speelt met de tulpen.
De tulpen bewegen.
De tulpen buigen een beetje.
Ze buigen naar links.
Dan buigen ze naar rechts.
Het is als een dans.
De dans is langzaam.
De dans is elegant.
Je kijkt naar de dans.
Je vergeet de tijd.
Je hoort geluiden om je heen.
Je hoort de wind.
De wind ruist zachtjes.
Je hoort vogels.
De vogels zingen.
De vogels zitten ergens in de verte.
Hun zang is helder.
ENHun zang is vrolijk.
ENDe vogels zijn blij.
Het is lente.
De lente is hun tijd.
Je luistert naar de vogels.
Het geluid maakt je rustig.
Je loopt verder over het pad.
Het pad maakt een bocht.
De bocht gaat naar rechts.
Je volgt de bocht.
Nu zie je een nieuw veld.
Dit veld is roze.
Het roze is zacht.
Het roze is teer.
De roze tulpen zijn delicaat.
Ze lijken op kleine kopjes.
De kopjes zijn gevuld met licht.
Het licht komt van de zon.
De zon schijnt door de blaadjes.
Het is prachtig.
Je blijft even staan.
Je staat stil op het pad.
Je kijkt om je heen.
Voor je liggen de velden.
Achter je liggen de velden.
links liggen de velden rechts liggen de velden overal zijn tulpen overal is kleur overal is schoonheid je bent omringd door bloemen je voelt je geborgen je voelt je thuis je ademt diep in De lucht is fris.
De lucht ruikt naar aarde.
De lucht ruikt naar bloemen.
De geur is zoet.
De geur is natuurlijk.
Je vult je longen met de lucht.
Je houdt de adem even vast.
Dan adem je uit.
Je laat alles los.
Je laat de spanning los.
Je laat de zorgen los.
Alles mag gaan.
Je gaat weer lopen.
Je voeten bewegen vanzelf.
Stap voor stap.
Langzaam.
Rustig.
Het ritme is kalmerend.
Links, rechts.
Links, rechts.
Je let niet op de stappen.
De stappen gebeuren gewoon.
Je bent er gewoon.
Alles is gewoon.
ENAlles is simpel.
ENEr staat een boom aan de kant van het pad.
De boom is oud.
De boom heeft groene bladeren.
De bladeren zijn nieuw.
De bladeren zijn pas gekomen.
Het is lente.
De boom krijgt nieuw leven.
Onder de boom is schaduw.
De schaduw is koel.
Je loopt naar de boom.
Je gaat onder de boom staan.
Je voelt de schaduw op je huid.
Je leunt tegen de stam van de boom.
De stam is stevig.
De stam is ruw.
De bast van de boom voelt droog aan.
De boom staat hier al jaren.
De boom heeft veel gezien.
De boom heeft veel lentes gezien.
De boom heeft veel tulpen gezien.
De boom is stil.
De boom is wijs.
Je voelt de kracht van de boom.
Je kijkt vanuit de schaduw naar de velden.
De kleuren zijn nog helderder nu.
Het contrast is groot.
De schaduw is donker.
De velden zijn licht.
Het licht danst op de bloemen. De bloemen bewegen in de wind. De beweging is eindeloos. De beweging is hypnotiserend. Je kunt er lang naar kijken. Je wilt er lang naar kijken. Er vliegt een vlinder voorbij. De vlinder is wit. De vlinder heeft zwarte stippen op de vleugels. De vleugels bewegen snel. De vlinder vliegt van bloem naar bloem. De vlinder landt op een rode tulp. De vlinder rust even uit. Dan vliegt de vlinder weer verder. Je volgt de vlinder met je ogen.
De vlinder verdwijnt in de verte.
Je duwt je af van de boom.
Je gaat weer lopen.
Het pad loopt verder.
Het pad loopt tussen de velden door.
Je volgt het pad.
Het pad weet de weg.
Je hoeft niet na te denken.
Je hoeft alleen maar te lopen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Je komt bij een nieuw veld.
Dit veld is oranje.
Het oranje is warm.
Het oranje is als vuur.
Maar het vuur is zacht.
Het vuur brandt niet.
Het vuur verwelkomt je.
De oranje tulpen staan fier.
De tulpen zijn trots.
De tulpen laten hun kleur zien.
Ze zijn niet verlegen.
Ze zijn open.
Ze zijn eerlijk.
De zon staat nu iets lager.
Het is namiddag.
Het licht wordt zachter.
Het licht wordt gouden.
Het gouden licht valt over de velden.
Alles krijgt een warme gloed.
De kleuren worden dieper.
Het rood wordt donkerder.
Het geel wordt rijker.
Het roze wordt warmer.
Het oranje wordt intenser.
Alles wordt mooier.
Je hoort water.
Ergens in de buurt is water.
Je luistert goed.
Het geluid komt van links.
Je kijkt naar links.
Je ziet een sloot.
De sloot loopt langs het veld.
Het water in de sloot is stil.
Het water is helder.
Je ziet de bodem van de sloot.
De bodem is modderig.
Er groeien planten in het water.
De planten zijn groen.
Je loopt naar de sloot.
Je gaat aan de kant staan.
Je kijkt in het water.
Je ziet je spiegelbeeld.
Het spiegelbeeld kijkt terug.
Het water is als een spiegel.
De spiegel is kalm.
Er zijn geen rimpelingen.
Alles is stil.
ENJe gezicht in het water is vredig.
Je ziet er rustig uit.
Je bent rustig.
Er zwemt een eend voorbij.
De eend is bruin.
De eend heeft een groene kop.
De eend maakt kleine golven.
De golven verstoren de spiegel.
Je spiegelbeeld trilt.
Dan wordt het water weer stil.
De eend zwemt verder.
De eend zoekt eten.
De eend is tevreden.
Je gaat weer op het pad staan.
Je loopt verder.
De sloot loopt naast je.
Het water blijft bij je.
Het geluid van het water is zacht.
Soms hoor je een plons.
Een vis springt op.
Of een kikker duikt onder.
Het zijn kleine geluiden.
De geluiden horen bij de velden.
De geluiden horen bij het voorjaar.
Je ziet een brug verderop.
De brug is klein.
De brug is van hout.
Het hout is oud.
Het hout is grijs.
De brug gaat over de sloot.
Je loopt naar de brug.
Je stapt op de brug.
Het hout kraakt zachtjes.
Het geluid is vertrouwd.
Het geluid is veilig.
Je blijft staan op de brug.
Je leunt op de reling.
De reling is laag.
Je kijkt over de velden.
Van hier zie je ver.
Je ziet velden in alle richtingen.
Je ziet rood.
Je ziet geel.
Je ziet roze.
Je ziet oranje.
Je ziet paars.
De kleuren vormen een patroon.
Het patroon is als een quilt.
Een quilt van bloemen.
Een quilt van licht.
De wind waait over het water.
Het water rimpelt.
De rimpelingen zijn klein.
De rimpelingen bewegen naar je toe.
Dan bewegen ze voorbij.
Het water wordt weer glad.
Alles komt en gaat.
Niets blijft.
Alles verandert, maar de verandering is zacht.
De verandering is natuurlijk.
Je hoort een kerkklok in de verte.
De klok slaat vier keer.
Het is vier uur.
De middag gaat voorbij.
De avond komt eraan.
Maar de avond is nog ver.
Er is nog tijd.
Er is nog licht.
Je hoeft nergens heen.
Je mag hier blijven.
Zo lang als je wilt.
Je verlaat de brug.
Je loopt verder.
Het pad gaat nu omhoog.
Er is een kleine heuvel.
De heuvel is niet hoog.
Je loopt langzaam omhoog.
Je voeten vinden de weg.
Stap voor stap.
Je ademt rustig.
Je ademhaling is gelijkmatig.
In en uit.
In en uit.
Alles is er nog.
Alles blijft bestaan.
Je draait je om.
Je kijkt voor je uit.
Voor je liggen nieuwe velden.
Deze velden zijn paars.
Het paars is diep.
Het paars is rijk.
De paarse tulpen zijn mysterieus.
Ze houden geheimen vast.
Maar de geheimen zijn goed.
De geheimen zijn veilig.
Je hoeft de geheimen niet te weten.
Je mag gewoon kijken.
Je loopt de heuvel af.
Aan de andere kant is het pad weer vlak.
Het lopen gaat makkelijk.
Je lichaam is ontspannen.
Je schouders hangen laag.
Je armen zwaaien zacht mee.
Je nek is los.
Je kaak is ontspannen.
Alles in je lichaam is zacht.
Alles is vrij.
ENEr staat een bankje aan de kant van het pad.
Het bankje is van hout.
Het hout is donker.
Het bankje ziet er uitnodigend uit.
Je loopt naar het bankje.
Je gaat zitten.
Het hout is warm van de zon.
De warmte voelt prettig aan.
Je leunt achterover.
Je strekt je benen.
Je sluit je ogen even.
Met je ogen dicht hoor je alles beter.
Je hoort de wind.
Je hoort de vogels.
Je hoort het ruisen van de tulpen.
De tulpen maken geluid als ze bewegen.
Het is een zacht geluid.
Het is als gefluister.
De bloemen fluisteren met elkaar.
Ze vertellen verhalen.
Verhalen van de lente.
Verhalen van groei.
Verhalen van licht.
Je voelt de zon op je gezicht.
De zon is warm.
De warmte dringt door je huid.
De warmte gaat je lichaam in.
Je voelt de warmte in je botten.
De warmte maakt je zwaar.
Je lichaam wordt zwaar op het bankje.
Het is een prettige zwaarte.
Het is de zwaarte van ontspanning.
Je hoeft niets vast te houden.
Alles mag zwaar zijn.
Je opent je ogen weer.
De lucht is nog steeds blauw.
De wolken zijn nog steeds wit.
Maar het licht is anders nu.
Het licht is zachter.
Het licht is goudener.
De zon zakt langzaam.
De dag gaat langzaam voorbij.
Maar er is geen haast.
Alles gebeurt in zijn eigen tijd.
Alles is goed.
ENJe staat op van het bankje.
Je gaat weer lopen.
Het pad loopt verder.
Het pad lijkt eindeloos.
Maar dat is goed.
Je wilt niet dat het eindigt.
Je wilt hier blijven.
Tussen de bloemen.
Tussen de kleuren.
In het licht.
In de warmte.
In de vrede.
Je loopt langs het paarse veld.
De paarse tulpen zijn prachtig.
Elke bloem is perfect.
ENElke bloem heeft zijn eigen vorm.
Maar alle bloemen zijn mooi.
Alle bloemen horen erbij.
Jij hoort erbij.
Je bent onderdeel van dit moment.
Je bent onderdeel van deze schoonheid.
Er vliegt een vogel over.
De vogel is groot.
De vogel heeft brede vleugels.
De vleugels bewegen langzaam.
De vogel zweeft.
De vogel gebruikt de wind.
De wind draagt de vogel.
De vogel hoeft niet te werken.
De vogel mag gewoon zijn.
Net als jij.
Jij mag gewoon zijn.
Je komt bij een kruising.
Het pad splitst zich.
Je kunt linksaf.
Je kunt rechtsaf.
Je kiest rechts.
Waarom weet je niet.
Het voelt goed.
Je volgt je gevoel.
Het gevoel is een goede gids.
Het gevoel weet de weg.
Het pad naar rechts is smaller.
Aan beide kanten staan tulpen dichtbij.
Je kunt de bloemen bijna aanraken.
Je steekt je hand uit.
Je raakt een tulp aan.
De bloem voelt zacht aan.
De blaadjes zijn als zijde.
De bloem beweegt onder je aanraking.
Dan staat de bloem weer stil.
De bloem is flexibel.
De bloem buigt, maar breekt niet.
Je loopt verder.
Het smalle pad voelt intiem.
Het voelt als een geheim.
Een geheim pad tussen de bloemen.
Alleen jij weet van dit pad.
Alleen jij loopt hier.
Het is je eigen plek.
Je eigen moment.
Niemand kan dit van je afnemen.
De zon staat nu laag.
De schaduwen worden langer.
Je eigen schaduw loopt voor je uit.
De schaduw is lang en dun.
De schaduw danst op het pad.
Je kijkt naar je schaduw.
Je schaduw is je vriend.
Je schaduw gaat met je mee.
Overal waar je gaat.
Het pad komt uit bij een open plek.
De open plek is rond.
Er groeien geen tulpen op de open plek.
Er groeit gras.
Het gras is groen.
Het gras is kort.
Het gras ziet er zacht uit.
Je loopt naar het midden van de open plek.
Je gaat in het gras zitten.
Het gras is inderdaad zacht.
Het gras kriebelt een beetje.
Het is een prettig gevoel.
Je gaat liggen in het gras.
Je ligt op je rug.
Je kijkt naar de lucht.
De lucht is groot.
De lucht is eindeloos.
Je ziet de wolken.
De wolken bewegen.
De wolken veranderen van vorm.
Je ziet een wolk die lijkt op een schaap.
Je ziet een wolk die lijkt op een boot.
De wolken vertellen verhalen.
Jij mag de verhalen verzinnen.
Je voelt de aarde onder je.
De aarde is stevig.
De aarde draagt je.
De aarde houdt je vast.
Je bent veilig op de aarde.
Je hoort bij de aarde.
Je bent van de aarde.
De aarde is je thuis.
Altijd, overal.
Je hoort het gras ruisen.
De wind speelt met het gras.
Het gras buigt.
Het gras zingt.
Het lied van het gras is zacht.
Het lied is oud.
Het lied is altijd hetzelfde.
Het lied is altijd nieuw.
Je luistert naar het lied.
Het lied maakt je slaperig.
Je ogen worden zwaar.
Je oogleden willen dicht.
Je laat ze dicht gaan.
Het is donker achter je ogen. Het is een warme duisternis.
Het is een veilige duisternis.
Je hoeft niet te kijken.
Je mag rusten.
Je mag loslaten.
Je voelt je lichaam ontspannen.
Je voeten zijn zwaar, je benen zijn zwaar, je heupen zijn zwaar, je buik is zacht, je borst is rustig, je ademhaling is langzaam, je schouders zijn ontspannen, je armen zijn zwaar.
Je handen zijn open.
Je nek is zacht.
Je hoofd is zwaar.
Je gezicht is glad.
Alles is rustig.
ENJe hoort de geluiden om je heen, maar de geluiden zijn ver weg.
de vogels zingen, de wind waait, het gras ruist, het water stroomt, alles klinkt zacht, alles klinkt ver, je drijft weg van de geluiden, je drijft naar binnen, naar een stille plek, een plek van rust, Je denkt aan de tulpen.
De rode tulpen.
De gele tulpen.
De roze tulpen.
De oranje tulpen.
De paarse tulpen.
Alle kleuren.
Alle bloemen.
Ze staan daar nog.
Ze bewegen in de wind.
Ze vangen het licht.
Ze zijn mooi.
Ze zijn er.
Altijd.
Voor jou.
Je voelt dankbaarheid.
Dankbaarheid voor dit moment.
Dankbaarheid voor de bloemen.
Dankbaarheid voor het licht.
Dankbaarheid voor de warmte.
Dankbaarheid voor de aarde.
Dankbaarheid voor de rust.
Alles is een geschenk.
Dit moment is een geschenk.
Je ademhaling wordt nog langzamer.
Elke ademhaling is diep.
ENElke ademhaling is vol.
ENJe ademt in.
Je ademt uit.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Het ritme is als golven.
Golven.
Golven op een strand.
De golven komen.
De golven gaan.
Altijd hetzelfde.
Altijd kalmerend.
Je voelt je lichaam zinken.
Je zinkt in het gras.
Je zinkt in de aarde.
De aarde neemt je op.
De aarde houdt je vast.
Je bent een deel van de aarde.
Je bent een deel van de natuur.
Je bent een deel van alles.
Je bent verbonden.
Altijd verbonden.
De kleuren in je gedachten worden zachter.
Het rood wordt roze.
Het geel wordt crème.
Het oranje wordt zacht.
Het paars wordt lila.
Alles wordt lichter.
Alles wordt zachter.
De kleuren vervagen.
Maar de schoonheid blijft.
De schoonheid is er altijd.
Je hoort je hartslag.
Je hartslag is rustig.
Je hartslag is regelmatig.
Het ritme is vertrouwd.
Het ritme is van altijd.
Je hartslag is het ritme van leven.
Het ritme gaat door.
Altijd.
Zelfs als je slaapt.
Je denkt aan de lucht.
De blauwe lucht.
De lucht boven de velden.
De lucht is vrij.
De lucht is open.
Jij bent als de lucht.
Jij bent vrij.
Jij bent open.
Er zijn geen grenzen.
Er zijn geen muren.
Alles is mogelijk.
ENAlles is toegestaan.
ENJe voelt warmte.
De warmte van de zon.
De warmte van de aarde.
De warmte van je eigen lichaam.
De warmte omringt je.
De warmte vult je.
Je bent warm.
Je bent veilig.
Je bent geborgen.
Niets kan je raken.
Niets kan je deren.
De gedachten zijn wolken.
Ze komen, ze gaan.
Je hoeft ze niet vast te houden.
Je mag ze laten gaan.
Elke gedachte mag weg.
Elke zorg mag weg.
Alles mag gaan.
Je bent alleen nog maar gevoel.
Het gevoel van rust.
Het gevoel van vrede.
Het gevoel van zijn.
Gewoon zijn.
Niets meer, niets minder.
Alleen zijn.
Hier, hier, nu, in dit moment, op deze plek, tussen de tulpen, onder de lucht, op de aarde.
De wind waait over je heen, de wind is als een deken, een zachte deken.
De deken bedekt je, de deken beschermt je.
Je bent warm onder de deken, je bent veilig onder de deken.
Je mag slapen onder de deken, je mag rusten.
Je hoort een laatste vogel zingen.
De vogel zingt een avondlied.
Het lied is mooi.
Het lied is zacht.
Het lied is een wiegelied.
De vogel zingt voor jou.
De vogel zingt je in slaap.
Je luistert naar de vogel.
Je laat je meevoeren door het lied.
De zon raakt de horizon.
Het licht wordt goud.
Het goud spreidt zich uit over de velden.
Alles baadt in gouden licht.
De tulpen gloeien.
De aarde gloeit.
Jij gloeit.
Alles is licht.
ENAlles is warm.
ENAlles is goed.
ENJe adem wordt heel zacht.
Je ademt bijna niet meer.
Maar het is goed.
Je lichaam weet wat het doet.
Je lichaam ademt voor je.
Je hoeft niets te doen.
Je mag loslaten.
Je mag je overgeven.
Je mag zijn.
De kleuren vervagen helemaal nu.
Alles wordt wit.
Een zacht wit.
Een warm wit.
Het witte licht omringt je.
Het witte licht vult je.
Je bent het licht.
Het licht is jij.
Er is geen verschil meer.
Alles is één.
ENJe voelt niets meer.
Je hoort niets meer.
Je denkt niets meer.
Je bent niets meer.
en alles tegelijk.
Je bent opgelost.
Je bent vrij.
Je bent rust.
Je bent vrede.
Je bent slaap.
De tulpenvelden zijn er nog.
De bloemen staan er nog.
De wind waait er nog.
Het water stroomt er nog.
Alles gaat door, ook zonder jou.
En dat is goed, want jij bent nu ergens anders.
Jij bent in de rust.
Jij bent in de slaap.
Jij bent veilig.
Droom zacht.
Droom van tulpen.
Droom van kleuren.
Droom van licht.
Droom van velden.
Droom van voorjaar.
Droom van vrede.
Of droom van niets.
Dat mag ook.
Alles mag.
Je bent vrij.
Welterusten.
De nacht komt.
De sterren komen.
De maan komt.
Alles is stil.
ENAlles is donker.
ENAlles is goed.
ENJij slaapt.
Jij rust.
Jij bent.
En dat is genoeg.
Meer dan genoeg.
Welterusten.
Slaap lekker.
Tot morgen.
De nacht is er.
De nacht is stil.
De nacht is zacht.
Jij ligt in je bed.
Jij voelt de warmte.
Jij voelt het kussen.
Jij voelt de rust.
Alles is goed.
ENDenk aan water.
Denk aan een meer.
Het meer is groot.
Het meer is stil.
Het water is kalm.
Het water beweegt niet.
Het water ligt er gewoon.
Het water wacht.
Het water rust.
Jij bent zoals het water.
Jij bent kalm.
Jij bent stil.
Jij beweegt niet veel.
Jij ligt er gewoon.
Jij wacht op de slaap.
De slaap komt.
De slaap komt altijd.
Er zijn bomen bij het meer.
De bomen staan stil.
De bomen bewegen niet.
De bladeren hangen stil.
Alles is rustig.
ENAlles is stil.
ENGeen wind.
Geen geluid.
Alleen rust.
Alleen vrede.
Het meer heeft geen golven Het water is glad Het water is zacht Het water weerspiegelt de lucht Het water weerspiegelt de bomen Het water weerspiegelt de sterren Alles is dubbel Alles is mooi Jij ademt langzaam Jij ademt rustig.
In en uit.
In en uit.
Zoals het water beweegt.
Heel zacht.
Heel langzaam.
Bijna niet.
Maar toch.
Het water leeft.
Jij leeft.
Alles leeft.
Maar alles rust ook.
De nacht wordt dieper.
De nacht wordt stiller.
De wereld slaapt.
De dieren slapen.
De planten slapen.
De bomen slapen.
Alles slaapt.
Ook jij.
Jij gaat slapen.
Jij slaapt al bijna.
Denk aan een pad.
Een pad door een bos.
Het bos is oud.
Het bos is stil.
De bomen zijn groot, de bomen zijn hoog, het pad is smal, het pad is zacht, het pad heeft mos, groen mos, zacht mos.
Jij loopt op het pad, jij loopt langzaam, jij loopt zacht, je voeten maken geen geluid.
Het mos is zacht.
Het mos is stil.
Jij loopt verder.
Jij loopt dieper het bos in.
Dieper in de rust.
Dieper in de stilte.
Het bos ruikt goed.
Het bos ruikt naar aarde.
Het bos ruikt naar bomen.
Het bos ruikt naar groen.
Het bos ruikt naar leven.
Maar een stil leven.
Een rustig leven.
Een leven dat wacht.
Er is een bank.
Een houten bank.
De bank staat bij een boom.
Een grote boom.
Een oude boom.
Jij gaat zitten.
Jij zit op de bank.
De bank is koud.
Maar dat is goed.
Dat is fijn, dat is echt.
ENJij zit stil.
Jij kijkt om je heen.
Jij ziet het bos.
Jij ziet de bomen.
Jij ziet het groen.
Jij ziet het licht.
Een beetje licht.
Het licht komt door de bomen.
Het licht maakt strepen, mooie strepen, gouden strepen.
Er vliegt een vogel.
De vogel is klein.
De vogel is stil.
De vogel maakt geen geluid.
De vogel vliegt van boom naar boom.
De vogel zoekt een plek.
Een plek om te slapen.
Ook de vogel is moe.
Ook de vogel wil rusten.
Jij voelt je ogen.
Je ogen zijn zwaar.
Je ogen willen dicht.
Dat mag.
Dat is goed.
Laat je ogen dichtgaan.
Laat je ogen rusten.
Jij hoeft niets te zien.
Alles is er nog.
Ook met gesloten ogen.
Het bos is er nog.
De bomen zijn er nog.
Het pad is er nog.
De bank is er nog.
Alles blijft, alles wacht, alles is goed, ook zonder jouw blik, ook zonder jouw aandacht, alles is gewoon, alles is er.
Denk aan regen.
Denk aan zachte regen.
De regen valt op bladeren.
De regen maakt geluid.
Tik, tik, tik.
Zacht geluid.
Rustig geluid.
De regen valt.
De regen valt altijd hetzelfde.
Altijd rustig.
Altijd zacht.
De regen valt op de grond.
De grond wordt nat.
De grond wordt donker.
De grond ruikt goed.
de regen geeft water de regen geeft leven maar nu geeft de regen rust de regen zingt een lied een stil lied een slaaplied jij ligt in je bed jij hoort de regen niet echt maar je denkt aan de regen.
Je voelt de regen.
In je hoofd.
In je hart.
De regen is er.
De regen valt.
De regen helpt je slapen.
Er is een huis.
Een klein huis.
Het huis staat in het bos.
Het huis is oud.
Het huis is warm het huis heeft een dak het dak is rood de regen valt op het dak tik tik tik het huis is veilig het huis is droog het huis is goed in het huis brandt een lamp een kleine lamp De lamp geeft licht, geel licht, warm licht, zacht licht.
Het licht schijnt door het raam.
Het raam is klein.
Het raam heeft gordijnen, witte gordijnen, dunne gordijnen.
Binnen is het warm.
Binnen is het stil.
Binnen is het veilig.
Er staat een stoel, een oude stoel.
De stoel is van hout.
Op de stoel ligt een deken, een wollen deken, een zachte deken.
De deken is blauw.
Er staat een tafel, een kleine tafel.
Op de tafel staat een kopje.
Het kopje is leeg.
Het kopje heeft thee gehad, warme thee.
De thee is op, maar het kopje ruikt nog.
Het kopje ruikt naar kruiden, naar rust, naar avond.
Jij bent in het huis, of je denkt aan het huis.
Het maakt niet uit, het huis is er.
Het huis is veilig Het huis wacht op je Het huis zegt, kom maar Kom maar rusten Kom maar slapen Je bent welkom Je bent veilig De regen valt nog steeds De regen stopt niet Maar dat is goed De regen hoeft niet te stoppen De regen mag vallen De regen mag doorgaan De regen maakt alles schoon De regen maakt alles nieuw De regen maakt alles stil Jij ademt Jij ademt diep Jij ademt langzaam Je buik gaat omhoog.
Je buik gaat omlaag en omlaag.
Langzaam.
Rustig.
Zoals de regen valt.
Zoals het water stroomt.
Zoals alles gaat.
Langzaam.
Rustig.
Goed, denk aan een rivier De rivier is breed De rivier is lang Het water stroomt Het water stroomt altijd Het water stopt nooit Dag en nacht Zomer en winter Het water stroomt Het water gaat naar de zee Het water weet de weg.
De rivier heeft oevers.
Groene oevers.
Er groeien planten.
Er groeien bloemen.
Gele bloemen.
Witte bloemen.
De bloemen groeien bij het water.
De bloemen houden van water.
De bloemen zijn mooi.
De bloemen zijn stil.
Er is een brug.
Een oude brug.
De brug is van steen.
Grijze steen.
Oude steen.
De brug gaat over de rivier.
De brug verbindt twee kanten.
Twee oevers.
Twee werelden.
De brug is sterk.
De brug staat er al lang.
De brug blijft staan.
Onder de brug stroomt het water.
Het water maakt geluid.
Zacht geluid.
Ruisend geluid.
Het water raakt de stenen.
Het water gaat verder.
Het water haast zich niet.
Het water heeft tijd.
Het water heeft altijd tijd.
Jij staat op de brug.
Of je denkt dat je staat.
Het maakt niet uit.
Je bent Er.
Je kijkt naar het water.
Je ziet het water stromen.
Je hoort het water ruisen.
Je voelt de wind.
Een zachte wind.
Een koele wind.
De wind komt van het water.
De wind ruikt naar water.
De wind ruikt naar groen.
De wind ruikt naar leven.
De wind waait door je haar.
De wind raakt je gezicht.
De wind zegt, alles is goed.
Alles stroomt.
Alles gaat verder.
Je handen rusten op de brug.
Op de stenen.
De stenen zijn koud.
De stenen zijn ruw.
De stenen zijn oud, maar de stenen zijn sterk.
De stenen dragen je.
De stenen houden je vast.
De stenen zeggen, je bent veilig.
De zon gaat onder.
De lucht wordt rood.
De lucht wordt oranje.
De lucht wordt roze.
De kleuren zijn mooi.
De kleuren zijn zacht.
De kleuren veranderen.
Langzaam.
Heel langzaam.
Van licht naar donker.
Van dag naar nacht.
Het water weerspiegelt de lucht.
Het water is ook rood.
Het water is ook oranje.
Het water is ook roze.
Het water en de lucht zijn hetzelfde.
Het water en de lucht zijn één.
Alles is verbonden.
ENAlles is samen.
ENAlles is goed.
ENEr vliegen vogels.
Zwarte vogels.
De vogels vliegen naar huis.
De vogels gaan slapen.
De vogels zoeken hun nest.
Hun warme nest.
Hun veilige nest.
De vogels zijn moe.
De vogels hebben gewerkt.
Nu rusten de vogels.
Nu slapen de vogels.
Jij bent ook moe.
Jij hebt ook gewerkt.
Misschien niet met je lijf, maar met je hoofd, met je hart, met je gedachten.
werken is meer dan bewegen werken is ook denken werken is ook voelen en nu is het genoeg nu mag je rusten de nacht komt echt nu de sterren komen de eerste sterren kleine lichtjes hoge lichtjes verre lichtjes.
De sterren zijn er altijd, maar overdag zie je ze niet.
Nu zie je ze wel.
Nu is het donker genoeg.
Nu schijnen de sterren.
De maan komt ook.
De maan is groot.
De maan is rond.
De maan is wit.
De maan geeft licht.
Zacht licht.
Zilver licht.
Het licht valt op het water.
Het licht maakt een pad.
Een licht pad op het water.
Een pad naar de maan.
Jij kijkt naar de maan.
De maan kijkt naar jou.
De maan zegt niets.
de maan is stil maar de maan is er de maan past op de maan zegt zonder woorden slaap maar ik ben er ik let op je je bent veilig je ogen worden zwaarder je ogen willen dicht je lichaam wordt zwaar je lichaam zakt weg weg in het bed weg in de warmte weg in de rust dat is goed denk aan niets meer of denk aan alles het maakt niet uit denk aan het water denk aan de bomen denk aan de lucht.
Denk aan de sterren.
Denk aan de maan.
Of denk aan alleen rust.
Alleen stilte.
Alleen zijn.
Je adem wordt langzamer.
Je adem wordt zachter.
Je hoort je adem bijna niet meer.
Maar je adem is er.
Je adem gaat door.
In en uit.
Vanzelf.
Zonder nadenken.
Je lijf weet het.
Je lijf doet het.
Je lijf zorgt voor je.
De wereld wordt stiller.
Of jij wordt stiller.
ENHet is hetzelfde.
Jij en de wereld.
De wereld en jij.
Alles is verbonden.
ENAlles is één.
ENJij bent de rivier.
Jij bent het water.
Jij bent de maan.
Jij bent het licht, jij bent alles en alles is goed.
Morgen is er weer een dag, morgen komt de zon, morgen worden de vogels wakker, morgen begint alles opnieuw, maar nu niet.
Nu is het nacht.
Nu is het donker.
Nu is het tijd om te slapen.
Om te rusten.
Om te zijn.
Laat alles los.
Laat de dag los.
Laat de zorgen los.
Laat de gedachten los.
Laat alles gaan.
Het komt morgen wel terug.
Of het komt niet terug.
Dat maakt niet uit.
Nu is nu.
ENNu is rust.
ENNu is slaap.
ENJe bent veilig.
Je bent warm.
Je bent goed.
Dat is meer dan de stilte houdt je vast.
Je bent niet alleen.
Je bent omringd.
Of droom niets.
ENJe bent vrij.
Je bent veilig.
Je bent thuis.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze