

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo, ik ben Rick.
Vandaag gaan we samen wandelen.
ENWe gaan naar de Veluwe.
De Veluwe is een groot bos in Nederland.
Het is er stil.
Het is er mooi.
Je gaat je ogen sluiten.
Je gaat luisteren naar mijn stem.
We gaan samen wandelen.
ENJe staat bij de rand van het bos.
De lucht is fris.
De lucht is schoon.
Je ademt diep in.
Je ademt langzaam uit.
De lucht ruikt naar bomen.
De lucht ruikt naar aarde.
Het is een goede geur.
Het is een natuurlijke geur.
Je kijkt voor je uit.
Je ziet een pad.
Het pad is smal.
Het pad is zacht.
Het pad is gemaakt van zand.
Het zand is lichtbruin.
Het zand is droog.
Je gaat het pad op lopen.
Je doet een stap.
Je doet nog een stap.
De bomen staan links en rechts.
De bomen zijn hoog, de bomen zijn oud.
Sommige bomen zijn dennenbomen, dennenbomen hebben naalden, de naalden zijn groen, de naalden zijn klein.
Andere bomen zijn eiken, eiken hebben grote bladeren, de bladeren bewegen zacht in de wind.
Je loopt langzaam, je hebt geen haast, er is geen tijd.
Er is alleen dit moment.
Je voeten raken het zand.
Het zand voelt zacht aan.
Het zand maakt een klein geluid.
Het is een rustig geluid.
Het is een fijn geluid.
De zon schijnt door de bomen.
Het licht maakt patronen op de grond.
De patronen bewegen.
De patronen veranderen.
Je kijkt naar het licht.
Het licht is warm.
Het licht is geel.
Het licht is mooi.
Je hoort vogels.
De vogels zingen.
De vogels zitten in de bomen.
Je ziet de vogels niet.
Dat is niet erg.
Je luistert naar de vogels.
Het geluid is helder.
Het geluid is vrolijk.
Het geluid past bij het bos.
Je loopt verder.
Het pad gaat een beetje naar links.
Je volgt het pad.
Je kijkt om je heen.
Alles is groen en bruin.
ENAlles is rustig.
ENAlles is veilig.
ENEr ligt mos op de grond.
Mos is een kleine plant.
Mos is zacht.
ENMos is groen.
ENHet mos groeit op stenen.
Het mos groeit op oude boomstammen.
Je ziet het mos overal.
Het mos maakt het bos zachter.
Je ademt weer diep in.
De lucht vult je longen.
De lucht is goed.
De lucht is gezond.
Je ademt langzaam uit.
Je voelt je schouders ontspannen.
Je voelt je nek ontspannen.
Het pad gaat nu een beetje omhoog.
Je loopt langzaam omhoog.
Het is geen steile helling.
Het is een zachte helling.
Je benen doen het werk.
Je benen zijn sterk.
Je loopt rustig verder.
Je hoort de wind.
De wind waait door de bomen.
De wind maakt een zacht geluid.
Het geluid lijkt op fluisteren.
De bomen fluisteren met elkaar.
Je luistert naar het fluisteren.
Er vliegt een vlinder voorbij.
De vlinder is klein.
De vlinder is wit.
De vlinder vliegt van bloem naar bloem.
Je kijkt naar de vlinder.
De vlinder is mooi.
De vlinder is vrij.
Je komt bij een open plek.
Een open plek is een plaats zonder bomen.
De zon schijnt hier volop.
Het gras is groen.
Het gras is lang.
Er staan wilde bloemen.
De bloemen zijn paars en geel.
De bloemen zijn wit en roze.
Je blijft even staan.
Je kijkt naar de bloemen.
Je kijkt naar de lucht.
De lucht is blauw. Er zijn een paar witte wolken. De wolken bewegen langzaam. De wolken veranderen van vorm. Je voelt de zon op je gezicht. De zon is warm. De warmte is aangenaam. De warmte ontspant je.
Je doet je ogen even dicht.
Je voelt alleen de warmte.
Je voelt alleen de wind.
Je voelt alleen de rust.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Je staat stil.
Je bent hier.
Je bent nu.
Er is niets anders.
Er is alleen dit moment.
Je doet je ogen weer open.
Je ziet een bankje.
Het bankje staat aan de rand van de open plek.
Het bankje is van hout.
Het hout is oud.
Het hout is grijs.
Je loopt naar het bankje.
Je gaat zitten.
zitten.
Het bankje is stevig.
Het bankje is comfortabel.
Je zit rustig.
Je kijkt voor je uit.
Je ziet het bos.
Je ziet de bloemen.
Je ziet de lucht.
Er komt een eekhoorn.
De eekhoorn rent over de grond.
De eekhoorn is rood en bruin.
De eekhoorn heeft een grote staart.
De eekhoorn zoekt eten.
De eekhoorn vindt een noot.
De eekhoorn neemt de noot mee.
De eekhoorn rent een boom in.
Je glimlacht.
De eekhoorn is grappig.
De eekhoorn is snel.
Je kijkt naar de boom.
Je ziet de eekhoorn niet meer.
Dat is goed.
De eekhoorn eet nu de noot.
Je blijft nog even zitten.
Je luistert naar de stilte.
Stilte is geen geluid.
ENMaar stilte voelt goed.
Stilte is rustgevend.
ENStilte is mooi.
ENDan sta je op.
Je gaat verder wandelen.
Je verlaat de open plek.
Je gaat het bos weer in.
Het pad gaat verder.
Het pad slingert tussen de bomen.
Je ziet een grote steen.
De steen ligt naast het pad.
De steen is grijs.
De steen is oud.
Heel oud.
De steen ligt hier al jaren.
Misschien wel 100 jaar.
Misschien wel 1000 jaar.
Je raakt de steen aan.
De steen is koel.
De steen is glad.
glad.
De steen voelt goed aan.
Je laat de steen los.
Je loopt verder.
Het pad wordt smaller.
De bomen staan dichter bij elkaar.
Het is hier donkerder.
Het is hier koeler.
Maar het is nog steeds mooi.
Het is nog steeds rustig.
Je hoort water.
Er is water in de buurt.
Je volgt het geluid.
Je loopt naar het water.
Het pad gaat naar beneden.
Je loopt voorzichtig naar beneden.
Je ziet een beek.
Een beek is een klein riviertje.
Het water is helder.
Het water is schoon.
Het water stroomt langzaam.
Het water maakt een zacht geluid.
Je gaat bij de beek staan.
Je kijkt naar het water.
Het water beweegt.
Het water gaat over stenen.
Het water gaat tussen planten door.
Het water gaat altijd verder.
Je knielt neer.
Je raakt het water aan.
Het water is koud.
Het water is fris.
Het water voelt goed aan je hand.
Je haalt je hand uit het water.
Je hand is nat.
Het water druppelt van je hand.
Je blijft even bij de beek.
Je luistert naar het water.
Het geluid is rustgevend.
Het geluid is altijd hetzelfde.
Het geluid gaat nooit weg.
Het water stroomt altijd.
Er zwemmen kleine visjes.
De visjes zijn heel klein.
De visjes zijn snel.
De visjes zwemmen samen.
De visjes gaan van links naar rechts.
Dan gaan de visjes van rechts naar links.
Je kijkt naar de visjes.
Je glimlacht.
De visjes zijn mooi.
De visjes zijn vrij.
De visjes zijn thuis in het water.
Je staat op.
Je gaat verder wandelen.
Je volgt de beek.
Het pad loopt naast de beek.
Je hoort het water.
Je hoort de vogels.
Je hoort de wind.
De zon staat nu lager.
Het is later op de dag.
Het licht is zachter.
Het licht is goudkleurig.
Het licht is prachtig.
Alles ziet er warm uit.
Alles ziet er vredig uit.
Je ziet varens.
Varens zijn planten met grote bladeren.
De bladeren zijn groen.
De bladeren zijn fijn.
De bladeren hebben een mooie vorm.
De varens groeien overal.
De varens houden van schaduw.
De varens houden van water.
Je loopt tussen de varens.
De varens raken je benen.
De varens zijn zacht.
De varens zijn koel.
Het voelt aangenaam aan.
Het pad gaat weer omhoog.
Je verlaat de beek.
Je hoort het water nog steeds.
Maar het geluid wordt zachter.
Het geluid wordt verder weg Dan hoor je het water niet meer Je bent nu hoger in het bos Je kijkt om je heen De bomen zijn hier anders De bomen zijn dunner De bomen zijn jonger Tussen de bomen is meer ruimte Er is meer licht Je ziet heide Heide is een lage plant heide groeit op de Veluwe heide heeft kleine bloemen de bloemen zijn paars de bloemen zijn mooi het is nu geen bloeitijd maar de heide is er wel de heide is bruin en groen je loopt door de heide.
De grond is hier anders.
De grond is harder.
De grond heeft minder zand.
Je voeten maken een ander geluid.
Het is een zachter geluid.
De lucht is hier opener.
Je ziet meer van de lucht.
De lucht is nog steeds blauw.
De wolken zijn groter.
De wolken zijn witter.
De wolken bewegen langzaam voorbij.
Je blijft staan.
Je kijkt naar de lucht.
Je ziet een vogel.
De vogel vliegt hoog.
De vogel is groot.
Misschien is het een buizerd.
Een buizerd is een roofvogel.
Buizerds vliegen vaak boven de Veluwe.
De vogel maakt cirkels.
De vogel gaat rond en rond.
De vogel zoekt eten.
De vogel kijkt naar beneden.
De vogel is mooi om te zien.
Je ademt diep in.
Je ademt langzaam uit.
Je voelt de wind op je huid.
De wind is zacht.
De wind is warm.
De wind komt van de zee.
De zee is ver weg.
Maar de wind komt toch van de zee.
Je loopt verder.
Je ziet een heuvel.
De heuvel is niet hoog.
Maar het is wel een heuvel.
Je loopt naar de heuvel.
Je loopt de heuvel op.
Het gaat langzaam.
Het gaat rustig.
Je komt boven op de heuvel.
Je kijkt om je heen.
Je ziet ver.
Je ziet het bos.
Je ziet de heide.
Je ziet andere heuvels.
De heuvels zijn groen en bruin.
De heuvels zijn mooi.
De zon staat nu nog lager.
Het is bijna avond.
Het licht is oranje.
Het licht is rood.
Het licht is prachtig.
De lucht kleurt.
De lucht wordt roze en oranje.
De lucht wordt paars en blauw.
Je gaat op de heuvel zitten.
Je zit op het gras.
Het gras is droog.
Het gras is zacht.
Je kijkt naar de zonsondergang.
De zon zakt langzaam.
De zon gaat naar beneden.
De zon verdwijnt achter de bomen.
Het wordt stiller.
De vogels zingen minder.
De vogels gaan slapen.
De wind wordt zachter.
Alles wordt rustiger.
Alles wordt kalmer.
Je ziet de eerste ster.
De ster is klein.
De ster is helder.
De ster staat in de lucht.
Dan zie je nog een ster.
En nog een ster.
De sterren komen tevoorschijn.
De lucht wordt donkerder.
De lucht wordt blauw en zwart.
De sterren worden helderder.
Er komen steeds meer sterren.
De sterren vullen de lucht.
Je ligt achterover.
Je ligt in het gras.
Je kijkt naar de sterren.
De sterren zijn prachtig.
De sterren zijn ver weg.
De sterren zijn oud.
Het licht van de sterren is oud.
Het licht reist heel lang.
Het licht komt van heel ver.
Je ademt rustig, langzaam.
Je voelt de aarde onder je.
De aarde is stevig.
De aarde draagt je.
De aarde is warm.
De warmte van de dag zit nog in de aarde.
Je hoort een uil.
Een uil is een nachtvogel.
De uil roept.
De uil zegt hoe, hoe.
Het geluid is zacht.
Het geluid is ver weg.
Het geluid past bij de nacht.
Je sluit je ogen.
Je voelt de wind.
De wind is nu koel.
De wind raakt je gezicht.
De wind raakt je handen.
Het voelt goed aan.
Je bent moe.
Het is een goede moeheid.
Het is een fijne moeheid.
Je hebt gewandeld.
Je hebt veel gezien.
Je hebt veel gevoeld.
Nu mag je rusten.
Je ligt stil.
Je hoort de nacht.
De nacht heeft geluiden.
De nacht heeft kleine geluiden.
Een blad dat beweegt, een tak die kraakt, een dier dat loopt.
Alles is zacht, alles is rustig.
ENJe ademt in, je telt niet, je denkt niet, je bent er gewoon.
Je ligt in het gras, je ligt onder de sterren, je bent in het bos, je bent op de Veluwe.
De maan komt op.
De maan is groot.
De maan is rond.
De maan is wit en geel.
De maan geeft licht.
Het licht is zacht.
Het licht is mooi.
Het maanlicht valt op de bomen.
Het maanlicht valt op de heide.
Het maanlicht valt op jou.
Je opent je ogen even.
Je ziet de maan.
De maan is prachtig.
De maan staat in de lucht.
De maan staat tussen de sterren.
Je kijkt naar de maan.
Dan sluit je je ogen weer.
Je voelt je lichaam ontspannen.
Je voeten zijn ontspannen.
Je benen zijn ontspannen.
Je rug is ontspannen.
Je armen zijn ontspannen.
Je handen zijn ontspannen.
Je nek is ontspannen.
Je gezicht is ontspannen.
Je ademt langzaam.
De adem gaat in.
De adem gaat uit.
De adem is rustig.
De adem is diep.
De adem is natuurlijk.
Je hoort de stilte.
De stilte is diep.
De stilte is vol.
De stilte is niet leeg.
De stilte is rijk.
De stilte heeft alles wat je nodig hebt.
Je denkt aan het pad Het pad door het bos Het pad van zand Het pad tussen de bomen Het pad naar de beek Het pad door de heide Het pad naar de heuvel Het pad is mooi Het pad is goed Je denkt aan de bomen de hoge bomen, de oude bomen, de dennenbomen met naalden, de eiken met bladeren, de bomen staan er altijd, de bomen zijn sterk, de bomen zijn rustig, je denkt aan het water, de beek met helder water, Het water dat stroomt.
Het water dat zingt.
Het water dat altijd beweegt.
Het water dat altijd gaat.
Het water is mooi.
Het water is leven.
Je denkt aan de dieren, de vogels die zingen, de eekhoorn met de noot, de visjes in de beek, de buizerd in de lucht, de uil in de nacht.
De dieren zijn thuis hier, de dieren zijn vrij hier.
Je denkt aan het licht, het zonlicht door de bomen, het gouden licht van de avond, Het rode licht van de zonsondergang Het witte licht van de maan Het licht is altijd mooi Het licht verandert altijd Je denkt aan de wind De zachte wind De warme wind De koele wind De wind die fluistert De wind die zingt De wind is er altijd.
De wind is altijd goed.
Je voelt je veilig.
Je ligt op de aarde.
De aarde is groot.
De aarde is sterk.
De aarde draagt je.
De aarde houdt je vast.
Je bent veilig.
Je bent goed.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Alles is rustig.
ENAlles is goed.
ENEr is niets om te doen.
Er is niets om te denken.
Er is alleen dit moment.
Er is alleen deze rust.
De nacht is zacht.
De nacht is stil.
De nacht is mooi.
De nacht omhult je.
De nacht beschermt je.
De nacht laat je rusten.
Je hoort je eigen adem.
De adem is zacht.
De adem is langzaam.
De adem is rustig.
In en uit hetzelfde ritme, altijd hetzelfde tempo, je voelt je ogen zwaar worden, je oogleden zijn zwaar, je oogleden zijn moe, het is goed om moe te zijn, het is tijd om te rusten, Het is tijd om te slapen Je ligt in het gras Het gras is zacht Het gras ruikt goed Het gras is warm Het gras is je bed Het gras is comfortabel De sterren kijken op je neer De sterren zijn je vrienden De sterren waken over je De sterren blijven de hele nacht De sterren gaan niet weg De maan geeft licht De maan is er voor jou De maan is zacht, de maan is stil De maan blijft ook de hele nacht Je bent niet alleen Je bent omringd door het bos Je bent omringd door de natuur Je bent omringd door rust Je bent omringd door vrede.
Je ademt langzaam.
Steeds langzamer.
Steeds rustiger.
Steeds dieper.
Je lichaam wordt zwaar.
Je lichaam zinkt in de aarde.
Je lichaam rust.
Je lichaam slaapt bijna.
Je gedachten worden minder De gedachten drijven weg De gedachten worden wolken De wolken drijven voorbij Er blijft alleen rust over Je hoort de nacht nog steeds Maar de geluiden zijn ver weg De geluiden zijn zacht De geluiden storen niet De geluiden helpen je slapen De wind waait zacht.
De wind is een wiegelied.
De wind zingt voor jou.
De wind zingt je in slaap.
Het is een oud liedje.
Het is een mooi liedje.
Je voelt warmte.
De warmte komt van binnen.
De warmte komt van de aarde.
De warmte komt van de nacht.
De warmte omhult je.
De warmte houdt je vast.
Je bent veilig hier.
Je bent thuis hier.
Je bent waar je moet zijn.
Er is nergens anders om te zijn.
Er is alleen hier.
Er is alleen nu.
Je ademt in en uit.
In en uit.
Het gaat vanzelf.
Je hoeft niets te doen.
Je lichaam weet het.
Je lichaam ademt voor je.
De slaap komt dichterbij.
De slaap is zacht.
De slaap is vriendelijk.
De slaap is welkom.
De slaap neemt je mee.
De slaap draagt je.
Je voelt je wegzakken.
Je zakt weg in het gras. Je zakt weg in de aarde. Je zakt weg in de nacht. Je zakt weg in de slaap. Het voelt goed. Het voelt natuurlijk. De Veluwe houdt je vast. Het bos houdt je vast. De aarde houdt je vast. De nacht houdt je vast.
Alles is goed.
ENAlles is veilig.
ENJe gedachten zijn weg.
Er is alleen rust.
Er is alleen vrede.
Er is alleen stilte.
Er is alleen slaap.
Je ademt.
Zacht.
Langzaam.
Rustig.
Diep.
In en uit.
In en uit.
De sterren schijnen.
De maan schijnt.
De nacht is er.
Jij bent er.
Alles is goed.
ENJe slaapt bijna.
Je ogen zijn dicht.
Je lichaam is zwaar.
Je adem is zacht.
Je bent moe.
Het is een goede moeheid.
De Veluwe zingt voor je.
Het is een stil lied.
Het is een lied zonder woorden.
Het is een lied van wind.
Het is een lied van bomen.
Het is een lied van aarde.
Je luistert naar het lied.
Het lied is oud.
Het lied is altijd hetzelfde.
Het lied is mooi.
Het lied zingt je in slaap.
Je bent nu heel ver weg.
Je bent in het bos.
Je bent in de nacht.
Je bent in de slaap.
Je drijft.
Je zweeft.
Je rust.
Alles is stil.
ENAlles is donker.
ENAlles is zacht.
ENAlles is goed.
ENJe slaapt.
Je droomt.
Je rust.
De nacht draagt je.
De aarde draagt je.
Het bos draagt je.
De slaap draagt je.
Je bent veilig.
Je bent thuis.
Je ademt.
Zo zacht nu.
Zo langzaam nu.
Zo rustig nu.
In en uit.
In en uit.
De wandeling is voorbij.
De dag is voorbij.
Alles is voorbij.
ENEr is alleen slaap.
Er is alleen rust.
Er is alleen vrede.
Je ligt stil.
Je ligt rustig.
Je ligt veilig.
Je slaapt.
Diepe slaap.
Goede slaap.
Rustgevende slaap.
De Veluwe slaapt ook.
De bomen slapen.
De dieren slapen.
De aarde slaapt.
Alles slaapt.
Alles rust.
De maan kijkt toe.
De sterren kijken toe.
De nacht waakt, alles is goed, alles is veilig, jij slaapt, diep, rustig, vredig.
ENDe wind fluistert nog steeds, maar je hoort het niet meer, je slaapt te diep, je rust te goed.
De nacht gaat verder.
De uren gaan voorbij.
Maar jij merkt het niet.
Jij slaapt.
Jij rust.
Jij droomt mooie dromen.
De Veluwe is er.
De Veluwe blijft er.
De Veluwe wacht op je.
Voor de volgende wandeling.
Voor de volgende dag.
Maar nu slaap je.
Slaap lekker.
Rust goed.
Droom mooi.
De Veluwe houdt je vast.
Het bos houdt je vast.
De nacht houdt je vast.
Alles is goed.
ENAlles is rustig.
ENAlles is veilig.
ENJij slaapt.
Diepe slaap.
Goede nacht.
De nacht is stil op de Veluwe.
Heel stil.
Heel vredig.
Jij slaapt diep.
Jij rust goed.
Je lichaam is zwaar.
Je lichaam is warm.
Je lichaam ligt stil in het bed.
De dekens liggen over je heen. De dekens zijn warm. De dekens zijn zacht. Je voelt de dekens. Je voelt de warmte. Het is fijn. Het is veilig. Buiten staat het bos. Het bos slaapt ook. De bomen staan stil. De bomen rusten. De bomen wachten op de ochtend. Maar de ochtend is nog ver weg. Nu is het nacht. Nu is het tijd om te slapen. Een uil roept in het bos, zacht, ver weg. De uil zoekt voedsel. De uil vliegt door de nacht.
Jij hoort de uil niet.
Jij slaapt te diep.
Jij rust te goed.
De maan staat hoog aan de hemel.
De maan geeft licht.
Zacht licht.
Zilver licht.
Het licht valt op de bomen.
Het licht valt op de heide.
Het licht valt op de zandpaden.
Alles is zilver.
ENAlles is mooi.
ENAlles is rustig.
ENIn je kamer is het donker.
Heel rustig.
Je ogen zijn dicht.
Je ogen blijven dicht.
Je slaapt.
Je droomt.
Je droomt over het bos.
Je droomt over de wandeling.
Mooie dromen.
Rustige dromen.
Je ademhaling is langzaam.
In.
In.
Heel rustig.
Heel regelmatig.
Je lichaam weet hoe het moet.
Je lichaam rust.
Je lichaam herstelt.
Je lichaam wordt sterk.
De nacht gaat verder.
De uren gaan voorbij.
Eén uur.
Twee uur.
Drie uur.
Maar jij merkt het niet.
Voor jou bestaat er geen tijd.
Voor jou bestaat er alleen slaap.
Diepe slaap.
Goede slaap.
Ergens in het bos loopt een vos.
De vos loopt zacht.
De vos zoekt voedsel.
De poten van de vos maken geen geluid.
De vos kent het bos.
De vos kent elke boom.
De vos kent elk pad.
De vos loopt langs een boom.
De vos loopt langs een struik.
De vos stopt.
De vos luistert.
De vos hoort de wind.
De vos hoort de uil.
De vos hoort de stilte van de nacht.
Dan loopt de vos verder.
De vos verdwijnt in het donker.
Het bos wordt weer stil.
Het bos slaapt weer.
Alles rust.
Alles is goed.
ENJij slaapt nog steeds.
Jij droomt nog steeds.
In je droom loop je door het bos.
De zon schijnt.
De lucht is blauw.
Vogels zingen.
Alles is mooi.
ENAlles is licht.
ENJe loopt over een pad.
Het pad is zacht.
Het zand voelt warm.
Je voeten lopen rustig.
Stap voor stap.
Het is een mooie wandeling.
Het is een rustige wandeling.
Je ziet een open plek.
Op de open plek groeit heide.
Paarse heide.
Roze heide.
De heide ruikt lekker.
De heide ziet er mooi uit.
Je blijft even staan.
Je kijkt naar de heide.
Je geniet.
Dan loop je verder in je droom.
Je loopt naar een meer.
Het meer is blauw.
Het meer is stil.
Het water glanst in de zon.
Je gaat zitten bij het meer.
Je kijkt naar het water.
Het is rustig.
Het is vredig.
Maar dit is een droom.
Een mooie droom.
Je lichaam ligt in bed.
Je lichaam rust.
Je lichaam slaapt.
Heel diep.
De nacht op de Veluwe gaat verder.
De sterren staan aan de hemel.
Heel veel sterren.
De sterren geven licht.
Klein licht, maar mooi licht.
De sterren kijken naar de aarde.
De sterren kijken naar het bos.
de sterren kijken naar jou.
In het bos staat een oud huis.
Het huis is leeg.
Het huis is stil.
Maar het huis is er.
Het huis hoort bij het bos.
Het huis hoort bij de Veluwe.
Het huis wacht.
Misschien komt er morgen iemand.
Misschien niet.
Het huis wacht gewoon.
De wind waait zacht langs het huis.
De wind waait door de bomen.
De wind maakt een zacht geluid.
Het geluid is als een lied.
Een slaaplied.
Een lied voor de nacht.
Jij hoort het lied niet.
Jij slaapt te diep.
Maar misschien hoort je onderbewustzijn het lied wel.
Misschien maakt het lied je slaap nog dieper, nog rustiger, nog beter.
Je gezicht is ontspannen.
Je mond is een beetje open.
Je adem gaat rustig.
In en uit.
In en uit.
Steeds hetzelfde ritme.
Steeds dezelfde rust.
Je handen liggen stil.
Je handen liggen op de deken.
Of onder de deken.
Het maakt niet uit.
Je handen rusten.
Je vingers rusten.
Alles rust.
Ook je voeten rusten.
Je voeten zijn warm.
Je tenen zijn warm.
Je hele lichaam is warm.
Veilig warm.
Behaaglijk warm.
De nacht wordt dieper.
Het wordt nog stiller.
Zelfs de uil is stil nu.
Zelfs de vos rust nu.
Alle dieren slapen.
Alle bomen slapen.
De hele Veluwe slaapt.
En jij slaapt ook.
Jij hoort bij de Veluwe.
Jij hoort bij het bos.
Jij hoort bij de nacht.
Jij rust.
Jij slaapt.
Diep en goed.
Ergens ver weg rijdt een auto.
Heel ver weg.
Het geluid is zacht.
Het geluid komt en gaat.
Dan is het weer stil.
Helemaal stil.
De stilte is goed.
De stilte is fijn.
In de stilte kun je slapen.
In de stilte kun je rusten.
In de stilte kun je dromen.
Je droomt weer.
Een nieuwe droom.
In deze droom zit je onder een boom.
Een grote boom.
Een oude boom.
De boom geeft schaduw.
De boom geeft rust.
Je leunt tegen de boom.
De stam van de boom is sterk.
De stam van de boom is stevig.
Je voelt de stam tegen je rug.
Het voelt goed.
Het voelt veilig.
Je kijkt omhoog.
Je ziet de takken.
Je ziet de bladeren.
De bladeren bewegen zacht.
De wind speelt met de bladeren.
Het is mooi om te zien.
Je sluit je ogen in de droom.
Je rust tegen de boom.
Je voelt de warmte van de zon.
Je voelt de koelte van de schaduw.
Alles is in balans.
ENAlles is goed.
ENDit is je droom.
Een rustige droom.
Een vredige droom.
En terwijl je droomt, slaapt je lichaam.
Je lichaam ligt in bed.
Je lichaam is veilig.
Je lichaam rust.
de nacht gaat verder uur na uur de maan beweegt over de hemel langzaam heel langzaam de maan gaat van oost naar west maar jij ziet het niet jij slaapt de sterren bewegen ook langzaam over de hemel.
De sterren maken patronen, mooie patronen, oude patronen.
Maar jij ziet het niet.
Jij slaapt te diep.
In het bos vallen druppels van de bladeren.
Dauw.
De nacht maakt dauw.
De dauw valt op de grond.
De dauw maakt de aarde nat.
De aarde drinkt de dauw.
De aarde is blij met de dauw.
De bomen drinken ook.
De wortels van de bomen zitten diep in de grond.
De wortels zoeken water.
De wortels vinden water.
De bomen groeien.
Langzaam.
Heel langzaam.
Maar ze groeien.
Alles groeit op de Veluwe.
De bomen groeien, de planten groeien, de heide groeit.
Alles leeft, alles groeit, zelfs in de nacht.
En jij groeit ook, niet in grootte, maar in rust, in kracht.
Je lichaam herstelt in de slaap.
Je geest herstelt in de slaap.
Slaap is goed.
ENSlaap is belangrijk.
ENJe slaapt nu al uren.
Goede uren.
Diepe uren.
Je lichaam is dankbaar.
Je lichaam gebruikt de tijd.
Je lichaam wordt sterker.
Je lichaam wordt gezonder.
Je hart klopt rustig, langzaam, regelmatig.
Je hart pompt bloed door je hele lichaam.
Je hart doet zijn werk, goed werk, belangrijk werk.
Je longen werken ook.
In en uit.
In en uit.
Je longen geven je zuurstof.
Je lichaam heeft zuurstof nodig.
Je longen zorgen ervoor.
Elke ademhaling.
Elke nacht.
Alles in je lichaam werkt samen.
Alles heeft een functie.
Alles doet zijn werk.
En jij hoeft niets te doen.
Jij slaapt alleen maar.
Jij rust alleen maar.
De nacht is nu op zijn diepst.
Het is het stilste moment.
Het is het donkerste moment.
Maar ook het rustigste moment.
Het moment van diepe slaap.
Jouw slaap is nu het diepst.
Je droomt niet meer.
Je ligt alleen maar.
Je rust alleen maar.
Diepe rust.
Volledige rust.
Je gezicht is helemaal ontspannen.
Geen spanning.
Geen zorgen.
Alleen rust.
Je voorhoofd is glad.
Je wangen zijn zacht.
Je mond is ontspannen.
Ook je schouders zijn ontspannen.
Helemaal ontspannen.
Je schouders liggen zwaar op het bed.
Je armen liggen zwaar.
Je handen liggen zwaar Alles is zwaar Alles is ontspannen Je rug ligt goed Je rug rust op het matras Het matras ondersteunt je rug Je rug is blij Je rug ontspant Alle spieren ontspannen Je benen liggen stil Je benen zijn zwaar.
Je knieën zijn ontspannen.
Je voeten zijn ontspannen.
Je tenen zijn ontspannen.
Alles ontspant.
Alles rust.
Buiten begint de nacht te veranderen.
Heel langzaam.
Heel geleidelijk.
Het is nog donker, maar ergens komt de ochtend eraan.
Nog ver weg, maar hij komt.
Maar dat maakt niet uit.
Jij slaapt nog.
Jij rust nog.
Je hebt nog tijd.
Nog veel tijd.
Tijd om te slapen.
Tijd om te rusten.
De eerste vogel wordt wakker.
Heel vroeg.
De vogel zit in een boom.
De vogel opent zijn ogen.
De vogel kijkt rond.
Maar de vogel zingt nog niet.
Het is nog te vroeg.
De vogel wacht.
De vogel zit stil.
De vogel rust ook nog een beetje.
je.
Binnenkort komt de zon.
Binnenkort is het tijd om te zingen.
Maar nu nog niet.
Jij slaapt nog steeds.
Diep.
Rustig.
Goed.
Je lichaam heeft de slaap nodig.
Je lichaam neemt de slaap.
Je lichaam gebruikt de slaap.
De dekens liggen nog steeds over je heen.
Warm.
Zacht.
Veilig.
Je voelt de dekens.
Zelfs in je slaap voel je de dekens.
Ze geven comfort.
Ze geven warmte.
Je kussen ligt onder je hoofd.
Zacht.
Stevig genoeg.
Niet te hard.
Niet te zacht.
Precies goed.
Je hoofd rust op het kussen.
Je nek rust.
Alles is goed.
ENDe kamer om je heen is stil.
Donker.
Rustig.
De muren staan stevig Het dak is boven je De vloer is onder je Alles is solide Alles is veilig En buiten staat het bos Het grote bos Het oude bos Het bos van de Veluwe Het bos waakt Het bos beschermt Het bos is er altijd De bomen staan sterk De wortels gaan diep De takken reiken hoog De bomen zijn oud Sommige bomen zijn heel oud Honderd jaar?
Tweehonderd jaar?
Misschien meer?
De bomen hebben veel gezien De bomen hebben veel meegemaakt.
Zomers, winters, stormen, sneeuw, regen, zon, alles.
De bomen blijven staan.
De bomen blijven sterk.
En jij slaapt onder de bescherming van de bomen.
Onder de bescherming van het bos.
Onder de bescherming van de veluwe.
Je bent veilig.
Je bent geborgen.
Je adem gaat nog steeds rustig.
In, in, uit.
Hetzelfde ritme.
Hetzelfde tempo.
Je lichaam weet wat het moet doen Je lichaam doet het vanzelf Je hart klopt rustig Je bloed stroomt rustig Alles werkt Alles functioneert Je lichaam is een wonder Een mooi wonder een complex wonder.
Maar jij hoeft er niet over na te denken.
Jij slaapt.
Jij rust.
Je lichaam doet de rest.
Je lichaam zorgt voor zichzelf.
Automatisch.
Natuurlijk.
De nacht gaat verder.
langzaam, rustig.
De tijd gaat voorbij, minuut na minuut, uur na uur.
Maar voor jou bestaat er geen tijd.
Voor jou bestaat er alleen slaap.
Diepe slaap.
Goede slaap.
Helende slaap.
Slaap die je lichaam nodig heeft.
Slaap die je geest nodig heeft.
Slaap die je ziel nodig heeft.
Je droomt misschien weer.
Kleine dromen.
Zachte dromen.
Dromen die komen en gaan.
Dromen die je morgen niet meer weet.
Maar dat is goed.
Dromen hoef je niet te onthouden.
In je droom loop je misschien weer, door het bos, over de heide, langs een beek.
Het maakt niet uit.
Het zijn goede dromen, rustige dromen.
Of misschien droom je niet.
Misschien slaap je zonder dromen.
Diepe slaap zonder beelden.
Dat is ook goed.
Dat is ook rust.
Misschien wel de beste rust.
Je lichaam ligt stil.
Heel stil.
Je beweegt niet.
Of misschien beweeg je een beetje.
Een kleine beweging.
Dan lig je weer stil.
Het is normaal.
Het is goed.
De nacht houdt je vast.
Het bed houdt je vast.
De dekens houden je vast.
Het kussen houdt je vast.
Alles houdt je vast.
Je bent veilig.
Je bent geborgen en morgen word je wakker fris uitgerust sterk dat is morgen nu slaap je nu rust je nu droom je de veluwe is er het bos is er de bomen zijn er de heide is er alles is er alles wacht Wacht op je, voor een nieuwe dag, voor een nieuwe wandeling.
Slaap je, diep, rustig.
De nacht is van jou, de slaap is van jou.
De rust is van jou.
Slaap lekker, rust goed.
Droom mooi, of droom niet, het maakt niet uit.
Alles is goed, alles is zoals het moet zijn.
De Veluwe slaapt met je mee, het bos slaapt met je mee, de nacht slaapt met je mee, jullie zijn samen, jullie rusten samen stil, alles in je slaapt, slaap, slaap, is het nacht, slaap Slaap, rust, stilte.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze