
de dag mag voorbij zijn · Slow Dutch evening

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ben avond aflevering, niet luisteren tijdens auto rijden.
Vanavond versterken we wat je vanmorgen hebt gehoord.
Welkom bij HypnoDutch, de dagelijksen podcast voor Nederlandse.
Het is 22, 22, een zachtanker in de avond.
De dag mag voorbij zijn.
Je bent hier, in dit moment, met de lucht die je inademt.
Geen haast, geen verwachting, alleen jij en de stilte die langzaam komt.
Laten we eerst neerdalen in het lichaam.
Voel hoe je zit of licht.
De onderglond die je draagt.
Kleding tegen huid.
Warmte die onder de huidstroomt.
Neem een moment om bewusten worden van de kak.
De kaken die vaak spanning vast houden.
Laat de tanden iets van elkaar wijken.
Een millimeter of twee.
Voel hoe de zijkant van je gezicht zachter wordt.
De lippen ontspannen.
Adem nu deeper in door de neus.
Langzaam.
Zonder kracht.
En uit door de mond met een zacht te zucht.
De schouders mogen zacken.
Vanuit de oren naar beneden.
Als een stroom water.
De bovenarmel los langs het lichaam.
Handen open.
Fingers.
Slap.
Voel de borstkas, zachtjes rijzen en dalen.
De adem die van zelf zijn wegvindt.
Richt je aandacht nu op de voeten.
De tenen die tegen de socken of deken aan liggen.
De hielen.
De vreef.
Laat de voetsole uitspreiden.
Breed en ontspannen.
De enkels geven mee.
Rijs dan langzaam omhoog, langs de kuiten.
De knie holten.
De bovenbenen.
De heubkomme worden zwaarder tegen de ondergrond.
De onderrug mag zich vullen met adem.
Een zachte bolling op de inademing.
Een zaken op de uitademing.
De buik.
Zacht.
En stil.
Kom nu bij de borst en het midderif.
Voel hoe elke inademing de ribbe iets opent.
Elke uitademing sluit ze weer.
Geen inspanning.
De nek.
De keel.
De tong ligt stil achter de tanden.
De ogen zwaar.
De oogleden kloppen niet.
Het voorhoofd is glad.
Je bent hier.
In het ritmen van adem en stilte.
Dit is een pauze in de dag.
Een nieuw moment van overgang.
De dag die voorbij is.
Kijk je even naar als door een zachtfilter.
Niet om te beoordelen, maar om te laten bestaan.
Vanmorgen om 11-11 horde je dat Nederland's proberen een proces is.
Dat elke nieuwe klank en elke nieuw woord er mag zijn zonder perfectie.
Die boodschap klinkt nu na in de avond.
Denk aan een moment vandaag waarop je even stilviel.
Misschien bij het opstaan, met het eerste licht.
Of in de middag, toen je iets niet begreep en even zweeg.
Dat stil een moment is er nog.
Het loopt als een draad door de dag.
Volg het bekend?
Het hoort bij het Nederlandse oefenen.
De momenten waarop je zoekt naar woorden.
Daar ging het vanmorgen over.
Het recht om te zoeken.
Vandaag heb je misschien woorden geprobeerd die je nog niet eerder zij.
Een zin die anders klonk dan je gewend was.
Of je hoorde een nieuw geluid.
Een medeklinker die je niet makkelijk vindt.
Die zinnen en geluiden worden zachter nu.
Ze mogen dalen in de herinnering als losse bladeren.
De dag had zijn hoogtes en laagtes.
Zijn heldere momenten en vageschemer.
Soms voelde het als of het Nederland's nog ver weg was.
Soms als of het al dichtbij kwam.
Bij de zijnbaar.
Bij de mogen er zijn.
De dag is voorbij.
Niet om te vergeten, maar om los te laten.
Wat bleef hangen.
Een zucht bij het einde van een gesprek.
Een laag toen je een fout hoorde en erom kon lachen.
Of de lucht die omsloeg toen je buiten liep.
En de woorden even niet hoefte.
Die lucht is nog om je heen.
Adem haar in.
De dag mag voorbij zijn.
Jij mag overgaan in de nacht.
Je hoeft niets meer te bewijzen.
Geen zinnen die moeten kloppen.
Geen klanken die perfect moeten zijn.
Alleen de stilte die groter wordt.
Vanuit de dag keren we naar binnen.
Naar wat jij voor jezelf mag vast houden.
Herhaal deze woorden in gedachten.
Of fluister ze zacht.
Jij hebt het recht om Nederlandste proberen zonder druk.
Jij hebt het recht om een nieuwe klank maanden lang te oefenen.
Jij hebt het recht om vandaag even stil te zijn als het niet loopt.
Jij hebt het recht om de dachten laten gaan.
Zonder hem te wegen.
Neem een adem.
Nu draaien die woorden om.
Van buiten naar binnen.
Ik heb het recht om Nederlandste proberen zonder druk.
Ik heb het recht om een nieuwe klank maanden lang te oefenen.
Ik heb het recht om vandaag even stil te zijn als het niet loopt.
Ik heb het recht om de dachten laten gaan.
Zonder hem te wegen.
Deze woorden klinken in jou.
Als een zacht ritme.
Ze zijn geen prestatie, maar onderkomen.
Een herinnering en vakeral is.
De dag is voorbij.
Jij bent gebleven.
Nederland is geen bed die je moet beklimmen.
Het is een landschap waar je inburgert.
Elke stap hoort erbij.
Vandaag heb je fietst.
En nu, als de avond demer wordt, nodig ik je uit om mee te gaan naar een plek van rust.
Stel je voor.
Je loopt langs een oude gracht in een stad die langzaam donker wordt.
De klinkers zijn vochtig van een regenbuu die net is opgehouden.
De lucht is fris, met een vleug moss en natte baksting.
De landtaarens werpen een warm oranje licht op het water.
Het water is stil, bijna zwart.
Met een enkele reflectie van een raam.
Je loopt langzaam, zonder doel.
Het geluid van je voeten op de stenen is een zacht ticken.
Af en toe een fietsbel in de verte, een korte rinkel die uitstervt.
Achterna een raam brandt een schemerlamp, goud kleurig.
Je ziet een kat die over de drempel loopt.
Alles is traag.
De avond is een deken.
Je adem de lucht in, de geur van koffie uit een openstaant raam.
Niet sterk, alleen een zweem.
Een hout de deur met groene verf, een beetje afgebladerd.
Een fiets tegen de brugleuning.
De gracht loopt verder, rond een bocht.
Het water stromt niet, het staat bijna stil.
Een eent drijf met zijn kop onder de vleugel.
De stille aanwezigheid van de stad die slaapt.
Je kunt hier blijven, geen haast, geen volgende verplichting.
De dag is voorbij.
Je hoeft alleen nog maar te zijn.
Het geluid van een molen in de verte, een zwaar, traag draaien van wieken.
De wind in de bomen, een fluisteren.
Je staat even stil, leund tegen de steene muur.
De kou van de steen door je jas.
Maar het is een goede kou.
De lucht boven je wordt donkender, een paar sterren, geen wolk.
Alles helder.
In de polde verderop ligt het land plat en stil.
De sloten blinken even als het maal ligt door de opening valt.
Een koe die staat de rusten.
Een donkere vorm in het gras.
De aarde ruikt naar gras en klei.
Dit landschap is al eeuwen zo.
Het wacht niet.
Het laat je zijn.
Je aardemaling voorgte de ritmen van de wind in, uit, langzaam.
Het moment wordt groter, maar ook zachter.
Je kunt hier blijven in deze avond.
In dit Nederland van Schemerlampen en grachten.
Het Nederlandst dat je vandaag hoorde, de woorden die je probeerde.
Ze dreven door je en als losse klanken in de lucht, geen oordeel.
Alleen de klank van de avond.
Een fietsbel in de verte.
Een laten wandelaar met een hond.
Het klinkt als een gewoon Nederlandse geluid, vertrouwd en veilig.
Je bent je deel van.
De dag is voorbij.
De avond is open.
Je kunt laten zakken wat je vast hield.
De spanning in de kak.
De vragen overmorgen.
Alles mag wegvloeie als de kracht in de nacht.
De Schemerlamp brand nog.
Een klein vendster van licht.
Je ziet het en voelt een diepe kalemte.
Je mag in deze kalemte wegleiden.
Het landschap wordt waasiger.
De kontoeren vervagen.
Het geluid van water de dat zachtjes klotst tegen de kade.
Een verre trein.
Een lage bron.
De stilte die zich er tussen weeft.
Je aarde wordt op een vlakkeger.
De oogleden zwaarder.
De dag mag voorbij zijn.
Jij mag in slaapvallen.
De Schemerlamp dooft langzaam.
Het licht wordt een dundraatje.
De kracht wordt zwart.
De sterrenhelder.
Het laatste geluid is een fietsbel die eenmaal klinkt en dan wegsterft.
Je bent in de stilte.
Tot morgen om 11-11.
Deze avond is geweest.
De dag is voorbij.
Jij bent in rust.
De stilte wordt diper.
Een deke van rust die zich over de avond fout.
Je ligt of zit nog steeds.
Maar het gevoel van gewicht is veranderd.
Het lichaam is zwaar.
Als een boom die wordt tot in de nacht.
De adem is er nog.
Maar nauwelijks voelbaar.
Een zachte golf die komt en gaat.
Elke uitademing neemt iets mee.
Een restje spanning.
Een vluchtige dachten.
De stilte is geen leegte.
Maar ruimte die zich vult met aanwezigheid.
Je bent hier veilig.
Omhuld door de schemer van de kamer.
De lantaren buiten is gedimt.
Het oranje ligt is een waas tegen het raam.
De geluiden van de stad zijn weggezijpeld.
Alleen een verbrom van een vrachtwagen, laag en constant.
Als het neurje van de aarde en dan stilte.
Niet de stilte van afwezigheid.
Maar de de stilte van aanwezigheid.
Je voelt de lucht tegen je wang.
De temperatuur van de kamer.
Neutraal.
Nog warm.
Nog koud.
Je huid wordt een grens tussen binnen en buiten.
Maar de grens verwacht.
De dag heeft ze sporen achtergelaten.
Maar die sporen zijn nu zacht.
Als vinger afdruk in zand die de wind glatveegt.
Denk aan het moment vermiddag doen je buitenliep.
De lucht was vochtig.
Bijna mistig.
Je hoorde het geluid van een tram in de verte.
Een hoog.
Schel geluid dat langzaam wegstieren.
Je voelde de klinkers onder je voeten.
Ongelijk.
Door jaren waar regen en verkeer.
Een blad.
De warl de voel je langs.
Oranje giel.
Nat van de bui.
Dat moment is er nog.
Niet als herinnering.
Maar als een laag van de dag die onder de de huid is gekropen.
Je hoeft het niet vast te houden.
Het mag wegzaken.
In het zachte duister van de nacht.
De avond heeft zijn eigen ritme.
Het ritme van de klok die tikt.
Maar de tijd stopt.
Je bent in een tijdloze ruimte.
Tussen waken.
En slapen.
Hier is geen haast.
Geen planning.
Geen Nederland.
Dat geoefend moet worden.
Alleen het geluid van je eigen aadem.
Als een verbranding.
De golven van in en uitademing worden langer.
De tussenruimte groter.
Je kunt in die tussenruimte verdwijnen.
De dagen komen en gaan.
Maar dit moment blijft.
Het is een anchorpunt in de strom.
Je bent niet aan het leren.
Je bent aan het zijn.
Het Nederlandst dat je vandaag hoorde.
De klanken van de straat.
De stemmen in de winkel.
De woorden die je zelf uitspraak.
Ze zijn niet verdwenen.
Ze zijn opgenomen in het wevsel van de dag.
In de beweging van je mond.
In de spieren van je keel.
Ze rusten nu.
Als een instrument dat stilstaat na een concert.
De snaren trillen nog een beetje na.
Maar de muziek is voorbij.
Je mag deze stilte om armen.
Laat het gewicht van de dag weg vloer je door je vingertoppen.
Voel hoe de vingers langer worden.
Lossen.
De handpannen open.
De onderarme ontspannen.
De ellebogen zakken diper in de ondergrond.
De schouder zijn al gevallen.
Maar nu nog een fractie meer.
Als snow die van een tak glijdt.
De nec geeft mee.
De kin zakt iets naar de borst.
Het hoofd wordt zwaar.
Maar niet te zwaar.
Het wordt gedragen door de zwaartekracht.
Als een verrucht die rijp is.
De ogen zijn gesloten.
Maar je ziet het licht van de scheme lamp door de ooglede heen.
Een zacht oranje waas.
Dat was wordt donkender.
Dieper.
Als het invallen van de nacht op een polder.
Stel je voordat je in een bootje ligt.
Op een stille gracht.
Het water wicht je zachtjes.
Je hoort het klotse tegen de houterrand.
Een ritmisch geluid dat je in slaap zust.
De lucht is helder.
Een paar stegen weer spiegelen in het water.
De geur van waterplanten en nat houdt.
Een brug doemt op.
Laag.
Je glijter onderdoor.
Het licht van de lantaren op de brug valt even op je gezicht.
Waarom?
En dan verdwijnt het weer.
De bood draeft verder.
Zonder stuur.
Zonder richting.
Je laat het gebeuren.
De gracht wordt breder.
Wordt een vaart.
Wordt een meer.
De oevers zijn ver.
Alleen ritkragen die zuchten in de wind.
De wind is zacht.
Laau.
Hij strilt je wangen.
Je ademt de geur van gras en aarde in.
Het geluid van een kikker.
Een enkele roep.
Dan stilte.
De bood draeft.
Maar jij bent niet meer in de bood.
Je bent het water.
Je bent de lucht.
Je bent de stilte.
Geen schijding meer.
De dag is opgelost in de nacht.
Je bent vrij.
Vrij om te zijn zonder taak.
Vrij om te rusten.
Zonder schuld.
De woorden van van morgen klinken nog één keer.
Je mag zoeken.
Je mag oefenen.
Je mag stil zijn.
Die woorden zijn nu niet meer nodig.
Ze zijn in je geboren.
Het enige dat telt is de zachte aanraking van de slaap.
De slaap komt naderen als een getij dat langzaam opkomt.
Eerst een vloeklein van van moeiteit.
Dan een golfslag van rust.
De oogleden zijn te zwaar om te openen.
De spieren van het gezicht zijn ontspannen.
De mond ligt geopend.
De tong rust op de bodem van de mond.
De aadem is stil.
Bijna onhorbaar.
Alleen de borstkast beweegt nog.
Met een draag ritmen.
Een ritme dat past bij de nacht.
De kamer om je heen vervaart.
De geluiden van de buiten wereld worden zachter.
Als of ze onder een deken worden gestopt.
Je hoort nog een fietsbel.
Heel ver weg.
Een zachte rinkel die uitsterft als een sterk aan de heemel.
Dan niet.
Alleen de stilte van de diepe slaap die zich aandient.
Je bent klaar om te gaan.
De nacht neemt je mee.
De dag is voorbij.
Jij bent in de overgang.
Een overgang van licht naar donker.
Van denken, naar zijn.
Van controle, naar overgave.
Alles wat je vandaag hebt gedaan.
Alles wat je vandaag hebt geleerd.
Het rust nu in je als een zaatje in de aarde.
Het wacht op de ochtend.
Maar nu is er alleen de nacht.
De nacht is groot en zacht.
Je mag erin verdwijnen.
Je mag vergeten wie je bent.
Waar je bent.
Wat je moet doen.
Alleen het zijn blijft over.
Het zijn zonder woorden.
Het zijn in de stilte.
Het zijn als de gracht in de nacht.
Stil en diepe.
Hey, polder.
Weid en rustig.
Het zijn als de schemerlamp.
Een klein warm licht dat langzaam dooft.
Het licht dooft.
De laatste gloed trekt zich terug.
Je bent in het donker.
Een donker dat omhuld en draagt.
Geen angst.
Alleen rust.
De diepste rust die je kent.
En in die rust mag je de ochtend vergeten.
Morgen is er weer een dag.
Met nieuw klanken.
Nieuwe woorden.
Nieuwe stappen.
Maar nu is er alleen dit.
De adem die stromt.
Het lichaam dat rust.
De geest die stil wordt.
Je bent niet aan het oefenen.
Je bent niet aan het presteren.
Je bent.
En dat is genoeg.
De avond omarmt je.
De nacht neemt je over.
Je gelijk weg.
Langzaam.
Zonder weerstand.
Als een blad dat het op het water draaft en langzaande darant van de gracht draaft, waar het blijft liggen.
Stil.
Je bent tot lat.
Je bent het water.
Je bent de nacht.
En in de nacht is alles één.
De woorden van vandaag zijn deel van die ene strom.
Ze komen terug in de ochtend als je wakker wordt.
Maar nu zijn ze stil.
Stil en te vreden.
De dag is voldoid.
De nacht is begonnen.
Je adem wordt nog zachter.
Nog op een vlakke.
Je bent op de drempel van de slaap.
Een drempel van vloeel.
Zet de laatste stap.
Laat alles los.
Laat het dag los.
Laat het Nederland's los.
Laat jezelf los.
Val.
Val zacht in de dipte van de nacht.
De dipte is oneindig.
En zacht.
Je valt, maar er is geen bodem.
Alleen een steeds dieperen stilte.
De stilte wichtje.
De stilte is je thuis.
Je bent thuis.
Thuis in de nacht.
Thuis in de rust.
Thuis in je eigen adem.
De adem stopt bijna.
Bijna, maar niet helemaal.
Het is genoeg.
Het is meer dan genoeg.
Je mag slapen.
Slapen.
De wereld wacht tot morgen.
De woorden wachten tot morgen.
Jij wacht niet.
Jij rust.
Diep, diep, diep.
In de stilte van de nacht.
In de omhelzing van de duisten is.
Je bent vrij. vrij om te zijn wat je bent.
Een zacht.
Ademend lichaam.
In de nacht.
En nu een laatste golf van rust die door je heentrekt.
Van je kruim tot je tene.
Alles wordt losgelaten.
De spanning in de kijk is weg.
De schouders zijn vergeten.
De handen zijn open.
De benen zijn zwaar en warm.
Het hart klopt langzaam als een ver trommel.
Het bloed strand rustig.
Alles is in balans.
Alles is in stilte.
Je bent in de stilte.
De stilte is jou.
En in die stilte.
Heel zacht.
Hoi je nog één maal de ego van de dag.
Het geluid van een fietspel.
Een lach.
Er regen de ruppel op arame.
Het verdwijnt.
Het is weg.
Alleen stilte.
De stilte.
Die de nacht is.
De nacht.
Die de slaap is.
De slaap.
Die jou is.
Slap.
Slap zacht.
Slap.
Diep.
Tot de ochtendje roept met nieuw licht.
Maar eerst is er de nacht.
De nacht is nu.
Jij bent de nacht.
En de nacht is rust.
Rust.
Nu.
Rust.
Dit is iepne ruts.
Spreek Nederland.
Zelfs als je stond dit.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze