

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Dit is een verhaal over twee vrienden.
De vrienden heten Luca en Daan.
Luca is twaalf jaar.
Daan is ook twaalf jaar.
Zij wonen in Rotterdam.
Rotterdam is een grote stad.
Het is zaterdag.
De zon schijnt.
Het is een mooie dag.
De lucht is blauw en de zon is geel.
Luca staat op.
Hij doet zijn ogen open.
Hij gaat naar de keuken.
De keuken is klein maar licht.
Hij eet brood.
Het brood is lekker.
Hij drinkt melk.
De melk is koud.
Hij hoort een vogel buiten.
De vogel zingt.
Luca kijkt uit het raam.
Hij glimlacht.
Dan hoort hij een geluid.
Het geluid is bij de deur.
Het is Daan.
Daan klopt op de deur.
Luca doet de deur open.
Daan zegt: "Hoi Luca!
Gaan wij voetballen?" Luca zegt: "Ja!
Ik wil voetballen!" Luca is blij.
Daan is ook blij.
Zij geven elkaar een hand.
Zij lopen naar het park.
Het park is groot.
Het gras is groen.
Het gras is zacht.
De lucht is blauw.
De zon schijnt op hun gezicht.
Luca ziet een bal.
De bal is rood en wit.
De bal is rond.
Luca pakt de bal.
Hij gooit de bal naar Daan.
Daan vangt de bal.
Daan lacht.
Zij spelen voetbal.
Luca schopt de bal.
De bal gaat ver.
Daan rent naar de bal.
Daan schopt de bal terug.
Luca rent ook.
Het is leuk.
Zij spelen lang.
Zij zweten.
Het is warm.
Hun shirts zijn nat.
Zij lachen.
Dan komt een meisje.
Het meisje heet Sara.
Sara heeft een fiets.
De fiets is geel.
Sara zegt: "Hoi!
Ik wil ook spelen!" Luca zegt: "Ja, kom maar!" Daan zegt: "Welkom, Sara!" Sara zet haar fiets op het gras.
Zij speelt ook.
Nu spelen zij met drie.
Sara is goed.
Zij schopt de bal hard.
De bal gaat in het doel.
Sara roept: "Ja!" Luca en Daan lachen.
Het is grappig.
Sara is blij.
Zij spelen nog een keer.
En nog een keer.
De bal gaat heen en weer.
Luca schopt.
Daan vangt.
Sara rent.
Het is leuk.
Zij lachen veel.
Dan is Luca moe.
Hij zegt: "Ik ben moe." Daan zegt: "Ik ook." Sara zegt: "Ik ook!" Zij zitten op het gras.
Het gras is zacht.
De zon is warm op hun gezicht.
Luca denkt: dit is een goede dag.
Ik heb goede vrienden.
Voetbal is leuk.
Het park is mooi.
Luca denkt aan gisteren.
Gisteren was het koud en nat.
Hij was binnen.
Nu is hij buiten.
Nu is het beter.
Hij is blij met de zon.
Daan haalt water.
Het water is koud.
Zij drinken water.
Het water smaakt goed.
Sara zegt: "Lekker!" Luca zegt: "Ja, lekker!" Daan lacht.
Zij zitten nog even.
Zij kijken naar de lucht.
De lucht is blauw.
Een vogel vliegt over.
De vogel is wit.
Luca ziet de vogel.
Hij wijst naar de vogel.
Sara kijkt ook.
Daan kijkt ook.
De vogel vliegt weg.
Sara zegt: "Wat mooi!" Dan gaan zij naar huis.
Luca loopt naar zijn huis.
Daan loopt naar zijn huis.
Sara fietst naar haar huis.
De fiets is geel.
Sara zwaait.
Luca zwaait terug.
Daan zwaait ook.
Luca gaat naar binnen.
Hij eet brood.
Het brood is lekker.
Hij drinkt melk.
De melk is koud.
Hij is moe.
Hij is blij.
Het is een goede dag.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze